Pagina-afbeeldingen
PDF

Het koud Hoefblad (Tussilago frigida) groeit ook in de Alpische gebergten, Zwitserland en elders, en bloeit van in april, met spitsvormige Bacchusstaven aen de wortels, deze soort verandert door hare bloemen, die gemeenlyk uit verscheidene bloempjes samengesteld zyn. Het Bosch-Hoefblad (Tussilago sylvestris) groeit meest in Duitschland, Oostenryk, enz., waer men ook den Tussilago discolor, met zyne hartvormige, doorschynende bladen, die van boven blinkend en van onder wit zyn, vindt groeijen. Het getand Hoefblad (Tussilago dentata) komt van Amerika. Men vindt alle deze soorten in vele Kruidhoven der Hoogescholen verzameld. De Dokkebladen (Tussilago petasites) werden vóórdezen Pestelentiewortels genoemd; zy zyn warm en droog tot verre in den tweeden graed : derhalve werden zy in de oude tyden als zeer nuttig gehouden om de pest en heete, besmettelyke ziekten te genezen, en als zweetmiddels gebruikt. Alle andere Hoefbladen werden als verkoeldrank geacht, maer sedert dat de ondervinding van verscheidene geneesheeren bewezen heeft dat die bladen, bloemen en wortels het lichaem te zeer verdroogen en de natuer kunnen hinderen, worden zy heden inwendig ten geheele niet meer gebruikt, maer uitwendig, zegt de doktor Martin Saint-Ange, kunnen zy den menschen nog zeer dienstig zyn, dewyl het sap, zegt hy, uit de bladen geperst, en met zoet verkensvet en gezuiverden sulfer wel te samen in zalve bereid, en daermede de besmette leden gesmeerd, een der beste middels is om spoedig de krauwagie of schurft te genezen. De wortels en het kruid gestooten en op heete, brandende gezwellen gelegd, zuiveren en verdryven alle vurigheid, zy zyn ook zeer dienstig om de voortetende zweringen te beletten en zuiver te genezen, zegt dezelfde doktor, en mogen met zekerheid gebruikt worden. De Hoefbladen werden voordezen ook in poeijers voor de longerziekte gebruikt, een gedistilleerd water werd ook uit dit gansche kruid getrokken, en onder den naem van Farfara-sap by de apothekers verkocht, maer dit gedistilleerd water, zoo het schynt, is heden verworpen, en door de vlierbloemen, die als zweetmiddel

veel krachtiger en voordeeliger zyn, vervangen. De Zwitsers mengen nog de Hoefbladen in hunne kruidpakjes, die zy voor valdranken te Parys verkoopen. De aenkweeking van al deze planten kan gemakkelyk door wortelscheiding, hetgeen men in den herfst of in de lente verrigt, en ook door het zaed geschieden.

HOEFYZER, Paerdyzer, in 't fransch Fer d cheval, in 't latyn Hippocrepis, door Tournefort Ferrum equinum genoemd, en onder zyne 10° klasse, 3° sectie gesteld, der vlindervormige bloemplanten, met eenen veelbladigen, onregelmatigen bloemkrans, uit vyf bloembladen bestaende, door Jussieu onder de familie van de peulvruchtdragende bloemplanten, en onder de 17° klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, tienhelmigen : hier zyn de meeldraden veranderlyk in getal, en met hunne helmdraden tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid. Het Hoefyzer (Hippocrepis comosa van Linnaeus) is eene kruidplant van Europa, die in België in de provintiën Luik, Namen, Henegouwen en Oost-Vlaenderen, op de bergen, heiden, enz., groeit, met dunne, liggende, zwakke stengen en teere bladen, die wel aen het klein Bylkenskruid gelyken, bloeit meest in juny, met bloemstelen en gele bloempjes, die lange, platachtige, breede, omgekromde peulvruchten voortbrengen, welke gerand en diep gekerfd zyn, en derhalve aen een klein hoefyzer gelyken, waerdoor die plant haren naem bekomen heeft. Ik heb deze plant veel by het kruidzoeken in de heiden omstreeks Ronsse en op Kluizenberg, by Audenaerde, gevonden. Het vreemd Hoefyzer (Hippocrepis unisiliquosa) groeit meest in de gebergten en op drooge plaetsen; deze plant zaeit alle jaren haer zelve, en wordt van de Italianers Ferra de Cavallo genoemd. Het Hoefyzer met zeer veel peulvruchten (Hippocrepis multisiliquosa) groeit in de drooge bergen van Zuid-Frankryk, Languedoc en elders, en wordt aldaer Fer d cheval geheeten. De bygeloovigen der oude tyden wilden voor zeker houden dat dit kruid de paerden kon vernagelen, maer deze fabels zyn heden geheel verworpen, dewyl het gekend is dat dit kruid zynen griekschen naem Hippocrepis en zynen latynschen Ferrum equinum, die in onze tael Hoefyzer bediedt, door de gedaente zyner peulvruchten verkregen heeft. Het Hoefyzer-kruid dat in België wast, heeft eenen zeer bitteren smaek; sommige Kruidkenners pryzen het kruid en de bloemen om droog en groen in het water te koken, en te drinken te geven aen de menschen die van hoog gevallen, en inwendig door den val gekwetst zyn; zy zeggen dat het kruid gestooten, zeer dienstig is om op de bloedige wonden te leggen, dat het de wonden weldra doet heelen en zuiver genezen. De zaedjes van die peulvruchten worden van de vogelen gretig gezocht.

HOFKERSE, tamme Kerse, wilde Kerse, in 't fransch Passerage, Cresson, in 't latyn Lepidium, is onder de 5e klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, der kruisbloemen, met eenen veelbladigen, regelmatigen bloemkrans, uit vier kruislings geplaetste bloembladen bestaende, door Jussieu onder de familie van de kruisdragende planten, en onder de 15° klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermagtigen, welke zes meeldraden hebben, waervan vier altyd langer dan de beide overige zyn, en hartvormige hauwtjes voortbrengen, met doorschynende schelpjes en veel zaedjes. De Hof-Kerse (Lepidium sativum) is eene kruidplant, die alle jaren in België vroeg in de lente in de moeshoven om hare deugden wordt gezaeid; zy groeit met zeer veel kleine, groene blaedjes aen de wortels, die op bladsteeltjes wassen, en waertusschen kleine stengen uitspruiten, waerop in juny kleine bloempjes, die viermagtig zyn, bloeijen. De wilde liggende Kerse (Lepidium procumbens) groeit in Vlaenderen, aen de wegen en op steenachtige, woeste plaetsen in de Ardennen, met gebogene, vleugelvormige blaedjes en overhellende, bloote schachten. De Weg-Kerse (Lepidium ruderale van Linnaeus) groeit in België aen de wegen en op zandachtige plaetsen, met gelande bladen aen de wortels, de bladen van de getakkelde stengels zyn

[merged small][graphic]

meest lynvormig en zeer effen, bloeit met bloembladen, twee helmstyltjes en witte bloempjes. De Kerse met bloote schachten (Lepidium nudicaule) is eene éénjarige kruidplant van Spaenje, die in Vlaenderen in de woeste, drooge velden groeit, met gevleugelde bladen en bloote schachten, en bloeit met vier helmstyltjes in de bloemen. De breedbladige Kerse (Lepidium latifolium) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in Braband, Vlaenderen en elders in België groeit, met lansvormige, rondachtige, getande bladen, bloeit meest in juny, met langwerpige, ronde bloemtrossen, die zeer kleine peulvruchtjes voortbrengen. De alpische Kerse (Lepidium alpinum) groeit in Zwitserland, met gevleugelde bladen en schachtjes die uit de wortels spruiten, en bloeit met witte bloempjes, die langvormige peulvruchten voortbrengen. De houtachtige Kerse (Lepidium suffruticosum van Linnaeus) is een langlevend, houtachtig kruidgewas van Spaenje; het groeit met fyne, lansvormige bladen, die effen glad zyn, eenen warmen peperachtigen smaek inhouden en derhalve veel in Spaenje, Zuid-Frankryk, enz., als toekruid met de spyzen worden geëten. Deze plant kan onze koude winters niet wederstaen en moet in de oranjehuizen bevryd zyn. Onder al deze planten wordt de Hof-Kerse inzonderlyk geacht om het scheurbuik en het besmet tandvleesch te genezen. Zy wordt alhier vroeg in de lente, op zonnebarmen, in de moeshoven gezaeid, om als toekruid met de salade in de huishoudens te eten. Eindelyk, al deze soorten bezitten eenen heeten, peperachtigen smaek, en hebben byna de krachten van de Water-Kerse.

-HOFKOMYN, tamme Komyn, in 't fransch Cumin, in 't latyn Cuminum, door Tournefort Foeniculum genoemd, en onder zyne 7° klasse gesteld, der schermdragende bloemen, met eenen veelbladigen, onregelmatigen bloemkrans, uit vyf, dikwils ongelyke, bloembladen bestaende, door Jussieu onder de familie van de kroonwyze geschikte bloemen, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf meeldraden bloemen en twee stampertjes hebben.

De Hof komyn (Cuminum cyminum van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Egypten, die in België, Zuid-Frankryk, Italië en elders vroeg in de lente in de moeshoven wordt gezaeid; zy groeit met hoekige, roode, getakkelde stengen, bladstelen, gevleugelde en ook ongevleugelde, gladde, wigvormige, gekerfde, gestreepte bladen, bloeit meest in july, met hellende, witte, gevlekte bloembladen, die zwartachtige meelknopjes op de bloemschyf hebben en gestreepte zaedhuisjes voortbrengen, die aen het zaed van de Dille of Karwei gelyken, de krachten van het Anyszaed bezitten en by de apothekers worden verkocht. Volgens de beschryving van de oude en nieuwe Kruidkenners doet dit zaed, met eenigen drank ingenomen, de winden en rammelingen des buiks scheiden, en wordt ook zeer geprezen om de vrouwevloeden en krimpingen te stelpen, want dit zaed is warm en droog van krachten tot in den derden graed. Het behoudt drie of vier jaren zyne krachten, en wordt veel in pappen en plaesters bereid, om de gezwellen der schaemdeelen te genezen. Dit zaed met liqueur gedistilleerd en daervan een weinig ingenomen, is zeer dienstig voor de maeg, om de spyzen te helpen verteren, met wyn bereid, is het goed voor de aemborstige menschen te helpen, het stelpt de bloedpis en breekt den steen in de blaes. Lobel heeft over de krachten van dit zaed een lang artikel geschreven, en zegt dat het de gebreken van de milt geneest en de draeijingen des hoofds beletten kan. De wortels van dit kruid gezoden, worden veel in Italië en Zuid-Frankryk in de huishoudens, op de wyze van de Pastenakels, geëten, daer zy eenen aengenamen smaek inhouden en al de kwade vochten uit het lyf door den kamergang dryven.

HOLWORTEL, Osterlucie, Duitsche Pyp, Zwanzuwkruid, in 't fransch Aristoloche, in 't latyn Aristolochia, is onder de 3e klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, der grynzende bloemen, met eenen éénbladigen, onregelmatigen bloemkrans, door Jussieu onder de familie van de Osterluciën , en onder de 20° klasse van Linnaeus, Gynandria hexandria, helmstyligen met zes meeldraden, planten welker meeldraden met den stamper tot

« VorigeDoorgaan »