Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

july lot in september, met bloemlrossen op de toppen der bloemstelen en zeer veel blauwachtige, purpere, vereenigde bloempjes, die eenen aengenamen geur inhouden. Uit die bloemen wordt in Italië en Zuid-Frankryk, alwaer dit gewas veel in de lusthoven wordt geplant, een welriekend water gedistilleerd, dat het vel zuivert en welriekend maekt; maer dit schoon heestergewas kan alhier onze koude winters niet wederstaen, wordt in de matige serren bevryd, en meest door het ryp zaed in den heigrond, op teilen gezaeid en met zorg gekoesterd, of door afzetsels en inleggers, op lauwe belommerde broeibakken, onder het glas aengekweekt, alwaer zy wel wortel vatten, om in potten te verplanten. Men heeft tot heden nog geene medesoorten van deze plant bekomen.

HARSVLOEIBOOM, Amerboom, Zweetgom, Storacboom, in 't fransch Liquidambar, Arbre de Storax, in 't latyn Liquidambar, is onder de 19° klasse, 5e sectie van Tournefort gesteld, der bloembladlooze boomen, wier bloemen in een katje zyn geplaetst; door Jussieu onder de familie van de katjesdragende boomen, en onder de 21° klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizigen, veelhelmigen, die mannelyke en vrouwelyke bloemen dragen, welke op eenen steng aengetroffen worden.

De Amerboom met Abornbladen (Liquidamber styraciflua van Linnaeus) is een groot langlevend boomgewas van NoordAmerika, dat in het land zyner afkomst, in Virginië en andere deelen van Amerika, zeer dik en wel 14 meters hoog groeit. Een dergelyke boom werd in den kruidhof der Hoogeschool te Gent, door den heer J. H. Mussche, in 't jaer 1807 geplant, alwaer hy heden van den voet tot op de kruin meer dan 10 meters hoogte verkregen heeft. Hy groeit met eenen dikken, hoogen stam, langs boven zeer getakkeld, met vyf lobbige, spitse bladen zeer lommerryk versierd, die aen deze van den Ahorn- of Plataenbladen gelyken, en gemeenlyk met den herfst een roodachtig kleur verkregen; bloeit op het einde van april, tot in mei, met katjes die een saffraengeel kleur hebben. De mannekens-bloemkelkjes heb

ben gemeenlyk vier bloeiblaedjes zonder kransjes en zeer veel draedjes; de wyfkens-bloemkelkjes hebben ook vier bloeiblaedjes zonder kransjes, maer zyn bolrond, met twee stylen in den vruchtbodem gehecht.

De Harsvloeiboom of Amergomboom (Liquidambar peregrinum van Linnaeus) is een langlevend klein boomgewas van Noord-Amerika, dat in België en elders in de lusthoven geplant, maer omtrent 2 meters hoog groeit, getakkeld, met vyflobbige, gegolfde, stompe bladen, die eenigzins aen die van het Miltkruid gelyken; bloeit meest in mei, met gele saffraenkleurige katjes.

De Liquidambar imberbe van den Hortus Kew., van Azië overgevoerd, wordt ook in België in de lusthoven geplant. De aenkweeking van deze boomen kan gebeuren door inleggers en uitspruitsels, of door het ryp zaed met april in bakken te zaeijen, om voorts met dolkens in goeden, lossen grond, op belommerde plaetsen, te planten; maer de zaeijelingen moeten de eerste jaren 's winters met dorre bladen of stroo bedekt worden, en begeren in den herfst of met november verplant te zyn, zonder de worlels af te snoeijen, want in de lente verplant wordende, vloeit er le veel sap

uit als men de wortels kwetst. Er wordt uit den grooten Amerboom in het land zyner afkomst, door invlieming der schors tot op het spek, eene welriekende gom of hars getrokken, die men in een vaetje vangt en door eenen fynen doek laet vloeijen, om die klaer naer Europa le kunnen verzenden, alwaer zy als welriekenden balsem in de medecynen wordt gebruikt; hierom wordt die boom Harsboom en Zweelgom genoemd. Het hout is niet te hard, doch fyn van aerd en aengenaem van geur, en derhalve zeer geacht om meubels en huisraed te maken en beelden van te snyden, die altoos eenen welriekenden

geur

behouden.

HAVER, in 't fransch Avoine, in 't latyn Adena, is door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld, en onder de 3. klasse van Linnaeus, Triandria digynia, driehelmigen, planten die met drie meeldraden bloeijen en twee stampertjes hebben.

De Kruidkenners onderscheiden gemeenlyk vier soorten of varieteiten van Haver, waervan de eene langlevende en de andere éénjarige planten zyn, die meest aen de kruidetende dieren eene zeer aengename voeding verschaffen, en ook kunnen dienen om menschen en zaedetende dieren te voeden. Onder deze soorten bemerkt men inzonderlyk de gemeene éénjarige ZaeiHaver (Avena sativa), die goede granen voortbrengt, en in België ten alle kanten in de velden, meerschen, weiden, enz., wordt gezaeid; in goede vette gronden wassen hare stengen dikwils meer dan 1 meter hoog; zy groeit met topstelen en hangende aren, die zaden met zachte kafvliesjes voortbrengen. De oorsprong van deze Haver schynt tot heden nog onbekend te wezen; maer alles doet ons gelooven, dat die van de noordelyke deelen van Europa afkomstig is, dewyl zy van over zeer oude tyden, zelf vóór de overheersching van de Romeinen in België, door de Menapiers en Nerviers alreeds werd gezaeid, en zeer wel onze lentekoude en heete zomer-dagen kan wederstaen. Deze soort van Haver groeit hier zoo wel als de Tarwe, in drooge, vochtige, klei- en keiachtige gronden, zelfs in de landen waer somtyds de Gerst en Rogge zeer moeijelyk groeijen. De tyd voor het zaeijen hangt meest af van het klimaet der landstreek en de luchtgesteldheid, en ook wanneer het land tot het zaeijen geschikt niet te vochtig of te droog is; in België wordt dil van met het beginne van maert tot het einde van april verrigt, macr in het algemeen heeft de Haver in de maend february gezaeid, meer tyd om zich te ontwikkelen, geeft schooner stroo en beteren oogst dan die welke in maert of in april gezaeid wordt; het graen is vaster en zwaerder en geeft meer meel, en is dusvolgens voedzamer om gort mede te maken en tot voeding van menschen en dieren te gebruiken. Deze Haver dient ook gezaeid te zyn op min of meer breede bedden, naer mate de grond droog of nat is.

De bloote Haver (Avena nuda), alzoo gemeenlyk genoemd omdat

zy zonder baerden groeit, en het zaed natuerlyk beter van zyne kafvliesjes wordt ontbloot, onderscheidt men nog door hare drie bloeibladige kelkjes en aren, die gewoonlyk kortere en kleinere granen inhouden en min voortbrengen; niettegenstaende

dit schynt zy zeer voedzaem te zyn en eene goede eigenschap te bezitten om gort mede te maken, dewyl zy byna geene zemelen geeft. Deze soort verdient nog den voorkeur, omdat zy de koude luchtgesteldheid beter kan wederstaen, en wordt derhalve veel in Rusland, Zweden, Engeland en de noordelyke deelen van Schotland in de gebergten gezaeid, alwaer zy veel dient om gort te maken en brood te bakken.

De Hongaersche Haver (Avena orientalis), die gewoonlyk hier poolsche en duitsche Troshaver wordt genoemd, om de trosvormige gedaente van hare aren, die in stede van rond, pyramidewyze zyn, groeit met dikke, hooge stengen, breede bladen en trapwyze geschikte zaden, die zwaerder zyn dan die van de gemeene Haver; niettegenstaende al deze voordeelen, wordt die Haver alhier weinig gezaeid, want men bemerkt dat dit graen te dikke en tacije pellen heeft en dat de paerden die byhet knauwen zeer moeijelyk kunnen breken; maer door zyne grootte en zwaerte is het zeer meelachtig, en derhalve voordeeliger om gort mede te maken om in de huishoudens te gebruiken; men vindt van deze Haver twee soorten, de witte en de zwarte : de witte wordt meest oostersche en de zwarte poolsche Haver genoemd.

De wilde Haver (Avena elatior) is eene langlevende grasplant, die in België meest in de meerschen groeit.

De bebaerde of bewolde Haver (Avena pubescens) groeit meest op hooge en drooge plaetsen in de woeste velden, met platte door dons bedekte bladen en stengen met aren op de toppen, die eenigzins aen de wilde Haver gelyken.

De Gek-Haver (Avena fatua) groeit met bewolde aren, in de bebouwde velden onder het koorn.

Wat de kweeking van de tamme Haver aengaet, die is genoeg bekend; een ieder weet dat zy zeer gaerne in goeden grond wast, en naer mate van den grond ook vruchten levert; dat zy zeer gemakkelyk in weiden, die vóór den winter omgeploegd zyn, wast; ja dikwils zoo gulzig, dat zy zonder mest zoo malsch opschiet, dat zy te gronde valt, en daer door loos en leeg of onvolkomen graen voortbrengt. Hierom moet een landbouwer wel

letten om den aerd en de magl van zynen grond en land te kennen, ten einde hy wete voor welke gewassen die dienstig of schadelyk is.

Dal de Klavers ook in dergelyke omgeploegde weigronden zeer gaerne wassen, is niemand onbekend; daerom is het dat men de Klaver gemeenlyk in de Haver zaeil. Er zyn byna geene zomervruchten die zoo noodzakelyk en zoo voordeelig aen eenen boer zyn, als de Haver, inzonderlyk als die op tyds gezaeid en wel droog ingeoogst wordt, om het vuer en de gisting te beletlen. Men moet zorgen die niet te vochtig in de schuer te sluiten, want het Haverstroo van zyn eigen eenen vochtigen aerd bezittende, moet zooveel mogelyk in de schuer of in myten met het kaf van alle vochtigheid bevryd zyn, om nadien wel te dorschen, te wanen en te ziften, gelyk men met alle ander koorn verrigt. Het Haverstroo van zyn graen beroofd, is zeer goed om binnen den winter de koeijen, ossen en paerden mede te voeden; het Haverkaf van zyn stroo gescheiden, dient alhier veel aen de arme landslieden om hunne bedden mede te vullen, hetgeen eene zachte ligging om te slapen verschaft en ook voor de kinderen in de wieg, wordt geacht.

Het graen van de rype Haver is eene voeding voor menschen en dieren; want by dure tyden wordt het Havermeel met de helft Gerst en een vierde Tarwe of Roggemeel gebakken; hetgeen aen het brood een half wit kleur geeft; dit brood is echter aengenamer van smaek wanneer het met de helft Tarwe en de helft Havermeel vermengd wordt. In zeer veel landen wordt de Havergort gebruikt om pappen, koeken en galetten te bereiden. De Haver wordt op de wyze van de Gerst, door de geneesheeren voorgeschreven, om als verkoeldrank door afkooksel tegen ontsteking der ingewanden aen de zieken te drinken te geven. Zy wordt van hare pellekens ontbloot, en Gort-Haver genoemd, waermede men ook eenen verzachtenden drank door afkooksel bereidt, die zeer nuttig is tegen de koortsachtige ziekten met inwendige ontsteking; in versche melk of vleeschsap gezoden, is zy een goed, ligt, verzachtend voedsel voor de zieken. In sommige landen wordt zy met koei- of geitenmelk en zoete amandels in pap

« VorigeDoorgaan »