Pagina-afbeeldingen
PDF

winters wel kunnen wederstaen, en op de wyze van den Catalpa bignonia vermenigvuldigd worden. Het hout, dat zeer hard en taei is en een roosachtig kleur verkrygt, wordt van de draeijers en meubelmakers zeer geacht, om alle slach van fraeije werken te maken, en planken vloeren mede te versieren.

Men vindt nog van die boomen den Guilandina bonducella van de Indiën, en den Guilandina moringa van Ceylan, maer die zyn my niet bekend.

CHIRONIA, in 't fransch Chirone, in 't latyn Chironia, is door Jussieu onder de familie van de Hondendood-planten gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben. Men bemerkt zeer veel soorten van de Chironia, die in België uit vreemde landen zyn overgevoerd, en alhier in de oranjehuizen worden gekweekt. De Chironia met gekruiste bladen (C. decussata van Ventenat), is een langlevend houtachtig gewas van de Kaep: het heeft met haer bedekte stengels, die meer dan eenen meter hoog groeijen, en langwerpige, donzige bladen, bloeit alhier van july tot in september, met schoone ronde bloemen, die een lieflyk roodblozende roozekleur hebben. De heesterachtige Chironia (C. frutescens van Linnaeus) is een langlevend heestergewas van Ethiopiën, welk meer dan 1 meter en half hoog wast, met witte, donzige stengen en takjes, met smalle bladen, en bloeit van juny tot in october, met een bladige, trechtervormige bloemen, die ook een schoon roodblozende roozekleur hebben, maer toch een weinig meer purperachtig dan de voormelde bloemen zyn; men heeft er eenige medesoorten van, die witte bloemen dragen. De Chironia met lynvormige bladen (C. linoides van Linnaeus) is een langlevend gewas van de Kaep, welk met kruidachtige stengels groeit, en bloeit van juny tot in september, met bloemtrosjes en zeer lieflyke bloemen. De C. jasminoides is eene langlevende kruidplant van de Kaep; zy groeit met vierhoekige stengels en lansvormige bladen, en bloeit met bloemen die eenen jasmynreuk verspreiden.

De C. maritima, de C. alba en de C. trinerva zyn uit Afrika, in het jaer 1840, in België overgebragt.

Men vindt in België ook eenen Chironia, die door Willdenow C. centaurium wordt genoemd, en maer eene eenjarige plant is, die veel in Henegouwen, Vlaenderen en elders wast, op drooge en onbebouwde plaetsen, met getakkelde stengels en rondachtige, lansvormige bladen; zy bloeit meest van july tot in september, met roozebloempjes en bloemkelkjes die korter dan de pypjes van de bloemkransjes zyn. Volgens het schryven van Matthiolus, zou deze plant de krachten van de groote Centorée bezitten.

Al de andere Chironias kunnen op de wyze van de Guichelaersbloemen, door het zaed in den heigrond en door afzetsels, op de wyze van veel andere planten van de Kaep, vermenigvuldigd worden. Vele van deze planten hebben eenen trechtervormigen bloemkrans, zoodat men voornamelyk moet letten op den rand des bloemkrans, en niet op de pyp; de rand is in vier, vyf of meer deelen verdeeld. Het sap van deze planten is meer of min samentrekkende en bitter van smaek, om deze rede, zeggen Haller en De Gorter, worden zy gehouden onder de wondheelende planten, gelyk de Wederik (Lysimachia), welke by onze apothekers worden bereid.

CHRISTOPHELKRUID, Sint-Christophelkruid, in 't fransch Christophorine, in 't latyn Actaea, door Tournefort Christophoriana genoemd, en onder zyne 6e klasse, 8° sectie gesteld, der roosachtige bloemplanten met veelbladige, regelmatige bloemkransjes; door Jussieu onder de familie van de Ranonkels, en onder de 13° klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmigen, die van twintig tot honderd meeldraden, op het vruchtbeginsel vastgehecht, en maer een stampertje hebben. Het alpisch Sint-Christophelkruid (Actaea spicata van Lin- naeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die veel in België, Duitschland, Zwitserland en elders, omtrent den Rhyn en de Maes, in de gebergten en bosschen der Ardennen groeit, met dunne getakkelde stengels, die alle jaren uit de wortels spruiten, met spitsvormige, ronde, gekartelde en getande bladen, op de stelen in drie verdeeld; zy bloeit meest in juny, met zwakke bloemkelkjes en witachtig groene, tongvormige bloemblaedjes en verdikkende helmdraedjes, die bloemblaedjes verbeelden en op den bloemsteel druisgewys hangen, op dewelke in september zwarte beziën groeijen, die aen kleine wyndruifjes eenigzins gelyken.

Dit kruid werd by de oude Kruidbeschryvers Sancta christophori herba geheeten, en van sommigen Aconitum bacciferum genoemd, omdat het ook zeer schadelyk en doodelyk, als de Wolfswortels, is; want de werkende krachten van het Sint-Christophelkruid zyn zeer hinderlyk en, van binnen ingenomen, zoo gevaerlyk als de Wolfswortels, het wordt heden van alle ervarene doctors voor een vergiftig kruid in alle zyne deelen aenzien.

Het getrost Sint-Christophelkruid (Actaea racemosa van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Canada, in NoordAmerika, die in België by veel liefhebbers in de kruidhoven wordt geplant, en bloeit met bloemtrosjes en witachtige bloempjes, die met hare meeldraedjes gelyk verdikken en drooge roodachtige beziën op de langwerpige trosjes voortbrengen. Men vindt beide deze planten in den kruidhof van de Hoogeschool te Gent, zy kunnen door het ryp kernzaed en door wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd worden.

CHRISTUSOOGEN, Wolrooze, Constantinopel, Koekoeksbloemen, Fransche Rooskens, in 't fransch Lampette, Lychnide, in 't latyn Lychnis, door Tournfort Caryophillum genoemd, en onder zyne 8° klasse, 1° sectie gesteld, der angelierachtige bloemen, met veelbladige, regelmatige bloemkransen, door Jussieu onder de familie van de Angelieren, en onder de 10e klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, tienhelmigen, planten die met tien meeldraedjes bloemen en vyf stampertjes hebben.

Men vindt zeer veel soorten van die Christusoogen, die in België groeijen, en ook veel die in de bloemtuinen om hare schoone bloemen worden gekweekt.

De Christusoog, Constantinopel of Kruis van Jerusalem (Lychnis chalcedonica, Flora rubra van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Azië en van de zuidelyke deelen van Rusland, die door Ch. Clusius, in het jaer 1549, eerst in België is gezonden en van daer elders verspreid, zy groeit met eironde bladen, waertusschen stengels uitspruiten, die 60 of 70 centimeters hoog wassen, met knoopjes verdeeld en steellooze blaedjes, bloeit alhier meest van juny tot in july op de toppen, met zeer veel roode scharlaken, in groepjes vereenigde, bloemen, die kruiswyze geschikt zyn. Men heeft door het zaed medesoorten verkregen, waervan eene met schoone dubbele, roode scharlaken bloemen, die in july bloeit en den naem van Lychnis chalcedonica, Flora pleno heeft gekregen; eene andere met witte dubbele bloemen, die Lychnis chalcedonica, Flora albo wordt genoemd, en eene derde met stengels, die maer 35 of 40 centimeters hoog wassen, ook schoone dubbele roode karmozyne bloemen draegt, en Lychnis chalcedonica nana, Flora rubro pleno is geheeten. De tweehuizige Christusoog (Lychnis dioica) is eene langlevende kruidplant van Europa, die met gewolde, eironde bladen en stengels van omtrent 50 centimeters hoog groeit, en van mei tot in juny bloeit, met gespletene bloemtrosjes en dubbele bloemen, waeronder men witte, roode, bleekroode en rooskleurige, volgens de medesoort, vindt, die gemeenlyk Fransche Rooskens worden genoemd : deze bloem is by dage geurloos, maer heeft des nachts eenen lieflyken geur. De slymerachtige Christusoog (Lychnis viscaria) is eene langlevende plant van Europa, die met veelpuntige bladen aen de wortels groeit en stengels die maer omtrent 30 centimeters hoog wassen, zy bloeit van mei tot in july, met zeer lieflyke dubbele bloemen, die een purperachtig roozekleur hebben. De Meersch-Christusoog (Lychnisflos cuculi) is eene langlevende kruidplant van Europa, die ten allen kante in België in de meerschen, weiden en elders, op drooge en vochtige plaetsen groeit, met smalle bladen en geknoopte, zwakke, getakkelde stengels, omtrent 25 of 30 centimeters hoog; zy bloeit van mei tot in augusty, met vier witte bloembladen in de kelken, die vyf gelande zaedhuisies voortbrengen.

Men heeft door het ryp zaed van deze plant eenige medesoorten verkregen, die half dubbele, roodachtige, purpere en witte bloemen dragen, welke ook in de bloemhoven worden geplant. De volgende soorten van die schoone bloemen zyn ook nog by onze bloemisten te bekomen : de Lychnis alpina, van de Alpische gebergten, die met lynvormige bladen en stengels van omtrent 10 centimeters hoog wast, en van april tot in juny bloeit, met zeer veel donker roode bloemen, de Lychnis Bungeana, Lychnis lateritia, L. mutabilis, L. coronata, grandiflora, L.. amaena pleno, L. mawima, L. fulgens, L. rosea pleno, L. neglecta, L. vespertina, Flora alho pleno en Flora roseo pleno, en meer andere, die om hare schoone bloemen in de tuinen worden geplant, en door het zaed, afzetsels en struikscheiding kunnen vermenigvuldigd worden. De bloemen van den Constantinopel (Lychnis chalcedonica) kunnen als zeep worden gebruikt; uit die bloemen wordt een water gedistilleerd, om het vel te wasschen en schoon blinkend te maken, hetgeen de Turken veel gebruiken. Van al deze gewassen dienen er heden geene in de geneeskunst; nogtans, ten tyde van Ch. Clusius, werden de bladen der Christusoogen gestooten en uitwendig op de oude zweringen en kwetsuren gelegd, en het zaed van den Lychnis flos cuculi gebruikt om de galachtige vochtigheden, door den kamergang, af te dryven. Dit kruid is een aengenaem voedsel voor het weidend vee. ver

CHRISTUSPALM, Wonderboom, Kruisboom, in 't fransch Ricin, in 't latyn Ricinus, is onder de 15° klasse, 5° sectie van Tournefort gesteld, der bloembladlooze planten, wier bloemen eigenlyk geene bloemkransen hebben, door Jussieu onder de familie van de Wolfsmelk-planten, en onder de 21° klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, eenhuizigen; er zyn mannelyke en vrouwelyke bloemen, welke op ééne steng aengetroffen worden; de mannekens bloemkelkjes zyn zonder kransjes in vyf verdeeld met veel meeldraedjes, de wyfkens bloemkelkjes zyn zonder kransjes in drie verdeeld, met drie gespletene stylen; zy brengen zaedhuisjes voort in drie hutjes verdeeld, met een zaedje gevuld.

« VorigeDoorgaan »