Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

De roode Haegnetel (Stachys coccinea) is eene langlevende kruidplant van Mexiko, die om hare schoone roode bloemen in België wordt geplant, maer moeijelyk aen onze koude winters kan wederstaen. Men vindt nog by onze bloemisten de Stachys corsica, Stachys speciosa, Stachys circinata, met nog andere soorten, die om bare schoone roode bloempjes in de bloemhoven in den zomer worden geplant, maer toch 's winters in de oranjery moeten bevrydzyn, en zeer gemakkelyk door het ryp zaed, struikscheiding en afzetsels aengekweekt worden.

De jonge toppen van de Boschnetel (Stachys sylvatica), met die van de Meersch-Haegnetel (Stachys palustris), bezitten de krachten van de Doovenetel : dit kruid met azyn gestooten of het sap daeruit gehaeld, is zeer dienstig om de vlekken en andere onzuiverheden van het vel te doen verdwynen, en kankerachtige zeeren te heelen. Dit kruid wordt ook met geerstemeel bereid, en als pappen om het flerecyn en jicht te verdryven met voordeel gebruikt.

HAEMANTHUS, in 't fransch Hémanthe, in 't latyn Haemanthus, is door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld en onder de 6. klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, zeshelmigen, planten die met zes meeldraden bloemen en maer een stampertje hebben.

De roodbloemende Haemanthus (Haemanthus coccineus van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van de Kaep; zy groeit met langwerpige, tongvormige bladen aen de wortels, die effen, glad en by den grond in twee rangen verdeeld zyn; waer lusschen stengen uitspruiten, die maer omtrent 30 of 40 centimeters hoog wassen; bloeit hier in de matige serren meest in de maend mei, met schoone scharlaken bloemen, met bloemkelken die de straelkransen door zes bloembladen versieren, en bezien in drie hutjes verdeeld voortbrengen.

De purpere Haemanthus (Haemanthus puniceus) is eene langlevende kruidplant van Afrika, die veel aen de kusten van Guinea groeit, van waer zy in België is overgebragt; zy heeft lans

vormige, ovale bladen, die langwerpig rond zyn, en bloeit met fyn gevlamde bloemen, straelkransen en regtstaende meeldraden.

Men heeft sedert eenige jaren van de Indiën de volgende soorten van die schoone bevallige planten alhier bekomen : den Haemanthus albiflos, Haemanthus orbiculata, H. pubescens en H. specinova, met nog andere, die hier allen in de matige serren gekweekt worden en zeer lieflyke bloemen dragen; zy kunnen door het ryp zaed uit de beziën in den heigrond, op teilen in de oranjehuizen gezaeid, en door wortelscheiding aengekweekt worden. Volgens sommige schryvers worden de worlels van den Haemanthus puniceus, in het land zyner af komst, droog in poeijer gemalen en met het brood gebakken.

HAERGRAS, Watergras, Vlotgras, Hooigras, in 't fransch Canche, Foin capillaire, in 't latyn Aira, door Tournefort Gramen genoemd, door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld, en onder de 3° klasse van Linnaeus, Triandria digynia, driehelmigen, met drie meeldraedjes en twee stampertjes.

De volgende soorten zyn onder de langlevende Grasplanten van België bekend : het Haer-Watergras (Aira aquatica) groeit meest in de waters en vochtige meerschen, met platte, groene bladen, en bloeit in den zomer, zonder baerden, met opene aren, waervan de bloeikransjes langer dan de kelkjes zyn.

Het Zode-Hooigras (Aira cespitosa) groeit in de meerschen, met fyn behaerde stelen en blaedjes, en bloeit met korte regte baerden versierd.

Het kromgebogen Haergras (Aira flexuosa) groeit op de oude muren, met fyne, bloote strooihalmen, en bloeit met borselachtige blaedjes op de stelen, die kromgebogen zyn.

Het Berg-Haergras (Aira montana) groeit in de bosschen en gebergten, met borselachtige blaedjes en geslotene aren, met gehaerde baerden, waervan de kaf blaedjes langer dan die van het kromgebogen Haergras zyn, dat schynt daervan eene medesoort te wezen.

Het tweekleurig Vlotgras (Aira discolor) groeit meest in de vyvers.

Het rietachtig Haergras (Aira canescens) groeit meest in de drooge en woeste velden, heiden, enz.

Het donkergroen Haergras (Aira atrovirens) groeit meest in de vochtige meerschen, die 's winters onder water spoelen.

Het éénjarig vroeg Haergras (Aira praecoc) groeit in de zandachtige, vochtige velden, en bloeit met gebaerde aren, scheehoekige stelen en bladen, die borselachtig zyn; het wast zeer klein.

Het éénjarig Haergras met geknoopte stelen (Aira caryophyllea), met borselachtige bladen, bloeit met driehoekige, trosvormige aren en gebaerde bloeiblaedjes; men vindt het veel langs de wegen groeijen.

Alle deze grasplanten, die een zoet sap inhouden, zyn droog en groen goed om de kruidetende dieren te voeden; sommige groen en versch gestooten, zyn zeer verkoelende en dienstig om op de geslagene blauwe plekken en builen van het vel te leggen; met zout gestooten, doen zy welhaest de blauwe vlekken en het geronnen bloed dat er in geklonterd is, verdwynen; inzonderlyk wordt het geknoopt Vlotgras, dat in de watergrachten groeit, ten dien einde geacht.

HAKEA, in 't fransch Hakea, Vaubier, in 't latyn Hakea, is onder de familie van den Zilverboom gesteld, en onder de 4° klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, vierhelmigen die met vier meeldraden bloemen en maer een stampertje hebben.

De dolkvormige Hakea (Hakea pugioniformis van Cavanilles) is een langlevend heester-houtgewas van Nieuw-Holland, dat in België van meer dan over dertig jaren is bekend, en groeit met getakkelde stengen meer dan 1 meter hoog, met rolvormige, puntstekende, verspreide bladen; bloeit van july tot in augusty, met kleine witte bloempjes.

Men heeft by onze bloemisten te Gent van Nieuw-Holland de volgende soorten verkregen, die allen 's winters in de matige serren bevryd worden en in den zomer zeer lieflyke bloemen dragen : de Hakea acicularis, Hakea ceratophylla, H. acanthophylla, H. Baxterië, A. elliptica, H. formosa, H. glabra,

H. glauca, H. latifolia, H. longifolia, A. myrtifolia, H. saligna, H. species, H. undulata, H. tuberculata en de H. vernis, met zyne blinkende groene bladen. Al deze vreemde houtgewassen, die door hunne schoone bloemen onze matige serren zeer verfraeijen, kunnen door het ryp zaed in den heigrond op teilen, op belommerde plaetsen in de matige serren geplaelst, en ook door afzetsels in den heigrond op lauwe broeibakken aengekweekt worden, zoo als alle andere houtgewassen van NieuwHolland. De krachten van deze planten zyn my niet bekend.

!

HALESIA, in 't fransch Halésie, in 't latyn Halesia, is door Jussieu onder de familie van den Dadelbloem-boom gesteld, en onder de 11° klasse van Linnaeus, Dodecandria monogynia, iwaelfhelmigen, die van twaelf tot twintig meeldraden en een stampertje hebben.

De viervleugelige Halesia (Halesia tetraptera van Linneaus) is een langlevend boomgewas van Amerika, dat veel in Carolina en Canada groeit, en van daer naer België is overgevoerd, alwaer bet in de lusthoven geplant, wel omtrent 3 of 4 meters hoogte bekomt; wast met eenen zeer getakkelden steng en lansvormige, groene, getande bladen, en bloeit hier meest in mei, met vier getande kelkbladen, witte, klokvormige, hangende bloemen en vier zydelingsche bloemkransjes, die vierhoekige noten met Iwee kerntjes gevuld voortbrengen, welke van smaek aen de okkernolen gelyken en versch en droog in Amerika op de wyze van die noten worden geëlen; er wordt ook olie mede gemaekt, die een helder brandend licht geeft en in de huishoudens wordt gebruikt.

De tweevleugelige Halesia (Halesia diptera) is een boomgewas van de Carolinsche landen in Amerika, dat van den voormelden enkelyk door de bladen verschilt, die eirond of ovael zyn, en welk by het bloeijen gewonelyk blinkende bloembladen heeft.

Deze gewassen kunnen zeer wel aen onze luchtgesteldheid wederstaen, en worden in sommige streken van Frankryk, Engeland, enz., in de lusthoven geplant. Zy kunnen door de kernnoten met de lente in den heigrond geplant worden, om met

den eersten winter in polten in de oranjery te bevryden, en na alzoo twee winters gekoesterd te zyn, vervolgens in de opene lucht in goeden grond te planten. De aenkweeking kan ook door inleggers van jonge takjes geschieden, die het tweede jaer gemeenlyk wortel vatten, en met de lente verplant, binnen den zomer by drooge saisoenen dikwils besproeid en veel water moeten hebben om hunne groeikracht te vatten.

HALFBLOEM, Halfbloem-boom, in 't fransch Henimeris, in 't latyn Hemimeris, is door Jussieu onder de familie van het Speenkruid gesteld, maer volgens sommige nieuwe Kruidkenners zou die moeten onder de familie van de Nachtschade-plant wezen; onder de 140 klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, welke vier meeldraden hebben, waervan twee langer zyn dan de anderen, welke allen op eenen onregelmatigen bloemkrans zyn ingehecht, en bedekt zaed dragen,

De Halfbloem-boom met netelvormige bladen (Hemimeris urticifolia) is een langlevend heester-houtgewas van Peru, dat heden ook door sommigen Hemithomus genoemd is, maer meest in België Halfbloem wordt geheeten; het groeit unet stengen, dunne takjes en altoosblyvende, groene, getande bladen; bloeit alhier meest van july tot in september, met trossen en veel kleine scharlaken vereenigde bloempjes, die zeer bevallig zyn.

De hoogroode Halfbloem (Hemimeris coccinea van Willdenow) is een klein heester-houtgewas van Peru, dat meest in augusty bloeit, met schoone, hoogroode scharlaken bloemen.

De Berg-Halfbloem (Hemineris montana van Linnaeus) is van de Kaep de Goede Hoop, en groeit met regte stengels en overeenstaende, ovale, getande en gezaegde bladen; bloeit meest in july, met bloemkelken, vyf bloembladen en gestrekte bloemkransjes, die een levendig rood kleur hebben.

Deze planten worden om bare bloemen in de matige serren 's winters in potten, met heigrond gevuld, gekweekt en op de wyze van de Camellias en Guichelaersbloemen gezaeid, of op lauwe broeibakken aengekweekt door afzetsels, die gemakkelyk wortel vatten.

« VorigeDoorgaan »