Pagina-afbeeldingen
PDF

sen, vermenigvuldigd en met zorg gekoesterd, tot dat die wel wortel hebben gevat, en dan eerst in kleine potjes verplant, als de wortelen eenige vastigheid verkregen hebben.

GYPSOPHILA, in 't fransch Gypsophile, in 't latyn Gypsophila, door Tournefort Lychnis genoemd, en onder zyne 8° klasse, 1" sectie gesteld, der angelierachtige bloemen, met veelbladigen, regelmatigen bloemkrans, door Jussieu onder de familie van de angelierachtige bloemdragende planten, en onder de 10e klasse van Linnaeus, Decandria digynia, tienhelmigen, planten die met tien meeldraedjes bloemen en twee stampertjes hebben. De Muer-Gypsophila (Gypsophila muralis van Linnaeus) is eene tweejarige plant van Europa, zy groeit veel in België in alle provintiën, op de oude muren, daken, bergen, en op zandachtige, woeste plaetsen, met effene, lynvormige blaedjes en tweedeelige stengen, bloeit meest in july, met donkere, rooskleurige, gestreepte bloemen, klokvormige, hoekige, éénbladige bloemkelken en vyfbladige kransjes, die langwerpige zaedhuisjes voortbrengen. De kruipende Gypsophila (Gypsophila repens) groeit in België in de provintie Luxemburg, in Duitschland, Siberië en Zwitserland, met langlevende wortels, waeruit alle jaren in de lente lansvormige bladen met liggende stengen spruiten, bloeit meest in july, met lieflyke roozebloempjes, die de meeldraden korter dan de bloemkransjes hebben. De Gypsophila saxifraga van Linnaeus is eene langlevende kruidplant, die veel op de oude muren en steenachtige rotsen, omtrent Luik en elders in de Ardennen groeit, met lansvormige bladen, die aen de Steenbreek-bladen eenigzins gelyken, bloeit met vierhoekige, geschulpte bloemkelken en bloembladen in de kransjes, die bleek rooskleurig op de randen geteekend zyn. De groote Gypsophila (Gypsophila struthium van Linnaeus) is een langlevend, kruidachtig houtgewas van Spaenje, het groeit met lynvormige bladen en geknoopte stengen, omtrent 40 of 50 centimeters hoog, bloeit meest in juny, met éénbladige bloemen, die van gedaente aen de wilde Christus-oogen gelyken. Geheel deze plant bezit een vet, zuivermakende sap, en werd van de oude volkeren, door afkooksel, als zeep in looge bereid, om alle slach van lynwaden, stoffen en kleedingen mede te wasschen, hetgeen de bergbewoners van Spaenje en de Pyreneesche gebergten, in Savoijen, nog heden verrigten. De stengen welke alle jaren uit de wortels spruiten en met den herfst dorre worden, vergadert men om potassche van te branden en die assche in de looge te gebruiken, om de zeep te vervangen. De Gypsophila salingna met de Gypsophila scorzonerifolia, met bladen die aen het Adderskruid gelyken, worden hier in de kruidhoven om hare bloemen in den vollen grond geplant en in de lente gezaeid of door wortelscheiding vermenigvuldigd.

ACHTSTE HOOFDSTUK.
HI.

Hadikkruid. – Haegnetel. - Haemanthus. - Haergras. - Hakea. Halesia. – Halfbloem. – Halskruid. - Hamamelis. – Hamreukboom. – Handbloem. – Handekenskruid. – Hanenkam. – Hanenkop – Hanenspoor. - Harsvloeiboom. - Haver. - Havikskruid. – Hazelaer. – Hazenoor. - Hazenpoot. - Hebenstreitia. – Heemstwortel. – Heeschekruid. – Heide. – Heidensch Wondkruid. – Helenium. - Heliconia. – Helmkruid. – Helonias. – Hermannia. – Hermsleutel. – Hertsgespan. - Hertshoorn. – Hertstonge. – Heulbloem. – Hoefblad. - Hoefyzer. - Hof kerse. – Hof komyn. - Holwortel. – Hondendood. - Hondsgras. - Hondskerse. – Hondstand. – Hondstong. - Honingbloem. – Hoorebekia. – Hoornklaver. – Hoornkruid. - Hoppe. – Houstonia. - Houtblad. – Hulst. - Hydrangea. - Hypecoum. - Hypoxis. - Hyzope.

HADIKKRUID, Kruidvlier, Wilde Vlier, in 't fransch Hieble, in 't latyn Sambucus ebulus, door Tournefort Sambucus herbacea genoemd, en onder zyne 20° klasse, 5° sectie gesteld, der boomen met eenen éénbladigen bloemkrans, door Jussieu onder de familie van het Geitenblad, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, vyfhelmigen, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en drie stampertjes hebben.

Het Hadikkruid (Sambucus ebulus van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die in Henegouwen, Vlaenderen en elders in België, in de vochtige bosschen, kanten en hagen groeit, met stengen die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, en bladstelen waeraen negen donkergroene, langwerpige, breede bladen wassen, die versmallen, getand en dikwils gesnippeld zyn; bloeit meest van july tot in augusty, met witte bloemen, die in october zwarte beziën voortbrengen, de stengen, die 's winters geheel vergaen, behouden die beziën tot in december.

Al de deelen van het Hadikkruid zyn warm en droog van aerd tot verre in den derden graed; daerom moet het met voorzigtigheid in de medecynen gebruikt worden, want te veel in eens daervan ingenomen, doet geweldig zweeten en 't lichaem verhitten, maer met mate door eenen ervaren doktor voorgeschreven en met andere verzachtende middelen vermengd, is het in sommige ziekten zeer heilzaem. De Hadikbloemen in het water gezoden en daervan een weinig gedronken, verdryven de waterachtige slymen uit het lichaem door den kamergang. De jonge toppen gestooten en op de harde gezwellen gelegd, doen die weldra genezen, dit gestooten kruid op het voeteuvel (podagra) gelegd, verdryft de pyn en vurigheid. De wortels van dit kruid gestampt en met Anyszaed bereid, zuiver gekookt, jagen uit het lyf alle waterachtige vochten en doen wel purgeren, zy worden ook met wyn en honig bereid, en voor de langdurige vallingen, die op de borst blyven hangen, met mate gebruikt. De rype beziën van dit Hadikkruid met honig bereid, houden ook een zacht purgerend middel in, en zyn zeer dienstig voor de waterzuchtige menschen die er niet te veel in eens van innemen. De bladen, met Geerstemout bereid, als pappen of plaesters op de heete gezwellen gelegd, doen de vurigheid welhaest verdwynen en de brandpuisten van het lyf genezen. De oude Kruidbeschryvers plegen dit kruid ook Flerecynkruid (Aegopodium podagraria) te noemen, waervan het nogtans geheel verschilt, dewyl het Flerecynkruid geene beziën geeft, en het Hadikkruid, dat in de velden, hagen en bosschen groeit, altyd beziën voortbrengt. De lage Vlier met eenen ééntakkigen, kruidigen steng en smalle, lansvormige, scherpgetande blaedjes, schynt eene medesoort te zyn, doch wordt van sommigen Sambucus humilis, caule herbacea, genoemd.

HAEGNETEL, Boschnetel, in 't fransch Epiaire, in 't latyn Stachys, door Tournefort Galeopsis, Betonica sederitis genoemd, en onder zyne 4e klasse gesteld, der lipvormige bloemen, met eenen éénbladigen, onregelmatigen bloemkrans, wier boord als in twee lippen is verdeeld; door Jussieu onder de familie van de mondvormige bloemplanten geschikt en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, welke vier meeldraden hebben, waervan twee langer zyn dan de anderen, welke allen op eene onregelmatige bloemkrans zyn ingehecht en maekt zaed dragen. De Boschnetel (Stachys sylvatica van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die ten alle kanten in België in de hagen, belommerde bosschen, enz., groeit, met stengen van omtrent 30 of 40 centimeters hoog, en bladstelen met hartvormige, geribde bladen, die ringwyze aen de stengen zyn; bloeit van juny tot in augusty, met ringwyze geplaetste, roodachtige bloemen, die gemeenlyk zes te zamen, van wederzyde aen de knopjes der stengen bloeijen, en een lieflyk schoon roozekleur verkrygen. De duitsche Haegnetel (Stachys germanica) groeit in België veel in Henegouwen, Braband, in de gebergten omstreeks Luik en Namen, met witte, donsachtige stengen, overeenstaende, ringwyze geplaetste, getande bladen, bloeit meest van july tot in september, met schoone roode, ringwyze geschikte bloemen. De Meersch-Haegnetel (Stachys palustris) is ook eene langlevende kruidplant, die in Henegouwen, Vlaenderen en elders in België op de boorden der grachten groeit, met lansvormige, steellooze bladen die byna de stengen omvatten, bloeit meest in july, met ringwyze geplaetste, roode bloemen, die zes by elkander staen. Men vindt hiervan eenige medesoorten met geelachtige groene bladen, die maer drie of vier ringwyze geplaetste bloemen aen de knopjes der stengen by elkander hebben. De éénjarige Haegnetel (Stachys annua van Linnaeus) wast in België ten alle kanten in de bebouwde velden, onder de vruchten als onkruid, met regte stengen en blinkende, ovale, lansvormige geribde bladen, bloeit meest in july, met zes bloempjes by elkander aen de knopjes der stengen, die een witachtig kleur hebben. De Veld-Haegnetel (Stachys arvensis) is ook eene éénjarige kruidplant, die ten alle kanten in België in de velden wast, met plompe, groene bladen. De vreemde Haegnetel (Stachys lanata van den Hortus Kew.) is eene langlevende kruidplant van Rusland, die alhier in de bloemhoven wordt geplant.

« VorigeDoorgaan »