Pagina-afbeeldingen
PDF

takkelde stengen, vereenigde en langwerpige bladen, langs boven blinkende en langs onder witachtig of zeegroen, bloeit meest in juny, met klokvormige bloemen, die van binnen geel en van buiten een scharlaken kleur hebben, en als een trompet de plant

versieren. e

Het italiaensch Geitenblad (Lonicera italicum) is een klimmend heestergewas van Italië, dat met doorwassene, samengegroeide bladen groeit, en meest in mei bloeit, met geelroode bloemen.

Onze bloemisten hebben nog veel nieuwe soorten van die Geitenblad-planten verkregen, zoo als de Lonicera coccinea, Lonicera flava nova, L. flesvuosa, L. glauca, L. hirsuta. L. japonica, L. villosissima, L. caprifolium, L. nigra, L. parviflora, L. grata, en veel andere, die in de vrye lucht en ook in de oranjery worden gekweekt, en door het zaed der rype beziën of door uitloopers en inleggers, die gemakkelyk wortel vatten, kunnen aengekweekt worden.

De heer Von Siebold heeft, in het jaer 1844, van het eiland Java een nieuw Geitenblad, Lonicera pubescens, medegebragt, welke hy in den Casino te Gent heeft ten toon gesteld. De Lonicera symphoricarpus racemosa is ook onlangs alhier overgezonden; hy draegt dikke, witte, sappige beziën, als perels : de Geitenbladen schikken zich zeer wel om aen de priëlen te planten, doch willen liefst ongesnoeid blyven, om wel te bloemen.

De vruchten van het Geitenblad (Lonicera caprifolium) wel ryp zynde, bezitten eenen aengenamen smaek, die beziën op wyn latende trekken, en daervan gedronken, ontlast de gezwollene milt, dryft de pis af en maekt eenen goeden adem. Er wordt ook in vele landen een water uit de jonge toppen en bloemen gedistilleerd, dat tegen de verhitte lever en borst en om de nieren te zuiveren, in de medecynen wordt gebruikt; dit gedistilleerd water wordt in vele landen gebezigd om het aenzicht te wasschen en de vlekken en sproeten van het vel te verdryven. Het sap wordt ook uit de beziën gehaeld om conserve te maken, die onder den naem van Kamperfoelie is bekend en de vruchten van den Boksdoorn (Lycium) kan vervangen.

GEITENKLAVER-BOOM, Valsche Ebbenhout-boom, HeesterKlaver, in 't fransch Cytise, Fauw Ebenier, in 't latyn Cytisus, is onder de 22e klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, der boomen wier bloemkransen vlindervormig zyn; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht-dragende boomen, en onder de 17° klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien helmstyltjes; hier zyn de meeldraden met hunne helmdraden tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid. Verscheidene soorten van die Geitenklaver-boomen zyn in België bekend; ik zal eerst die beschryven, welke in onze lusthoven worden geplant en aen de luchtgesteldheid van België 's winters kunnen wederstaen. De alpische Geitenklaver-boom (Cytisus laburnum van Linnaeus) is een heester-boomgewas van Zwitserland, dat getakkeld, maer omtrent 3 meters hoog groeit, met langwerpige, eironde bladen, bloeit meest van mei tot in juny, met korthangende bloemtrosjes en gele bloemen, die welriekend zyn. De welriekende Geitenklaver (Cytisus alpinus) groeit met getakkelde stengen en ovale, lansvormige, smalle bladen, en bloeit ook in mei, met hangende bloemtrosjes en gele bloemen, die eenen aengenamen geur verspreiden. Men vindt er eene medesoort van met witbonte bladen. De zwartachtige Geitenklaver-boom (Cytisus nigricans van Linnaeus) is afkomstig van Oostenryk, en groeit heestergewyze, maer omtrent 1 meter hoog, met langwerpige, eironde blaedjes, en bloeit meest in july, met enkele opstaende trossen en gele bloemen, die eenen aengenamen reuk verspreiden. De driebladige Geitenklaver-boom (Cytisus sessilifolius van Linnaeus) is een langlevend heestergewas van Italië en ZuidFrankryk, het groeit heestergewyze, maer omtrent 1 meter hoog, en bloeit alhier meest in juny, met opstaende bloemtrossen en glanzige, gele bloemen. De oostenryksche Geitenklaver-boom (Cytisus austriacus van Linnaeus) is een langlevend, groot heestergewas van Oostenryk, Siberië, enz.; het groeit met regtopstaende, getakkelde stengen, meer dan 2 meters hoog, en lansvormige blaedjes, bloeit in 't begin van mei, met gele bloemen, die kroonwyze op het einde der takjes geschikt zyn. De russische Geitenklaver-boom (Cytisus tataricus) is een langlevend heester-houtgewas van Tartarië; het groeit met heesterachtige stengen, meer dan 1 meter hoog, met langwerpige, eironde blaedjes, en bloeit meest in mei, met gele blinkende bloemen, die op de toppen der bloemtakjes vergaderd zyn. De purpere Geitenklaver-boom (Cytisus purpureus van Willdenow) is een klein langlevend heestergewas van Hongariën en Bohemen; het groeit meest met dunne stengen by de aerde verspreid, en drievoudige, groene blaedjes aen de stelen, bloeit van mei tot in july, met purperachtige roode bloempjes. Deze plant wordt veel in de lente op den valschen Geitenklaver-boom geënt, welke een schoon kroontje verbeeldt. De Cytisus acolicus, Cytisus elegans, Cytisus Weldemii en nog veel andere nieuwe soorten, worden in België by onze bloemisten in de lusthoven gekweekt, maer de drie laetstgemelde, de Cytisus foliolosus, van het eiland Canariën, de Cytisus hirsutus, van Italië, met de Cytisus Cajan, van de Oost-Indiën, moeten 's winters in de matige serren of oranjehuizen bevryd worden, alwaer zy van in maert dikwils beginnen te bloemen. Al deze gewassen kunnen door het ryp zaed in de lente worden gezaeid en door inleggers en uitloopers aengekweekt worden. Het hout van de Geitenklaver-boom of valschen Ebbenhout-boom is uitermaten hard en effen, met een geelachtig kleur, en derhalve zeer dienstig voor kunstdraeijers en inlegwerkers, om parketten, vloeren en andere sieraedwerken mede te maken.

GEITENRUIT, in 't fransch Rue de Chèvre, Lavanêse, Galega, in 't latyn Galega, is onder de 10° klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, der vlindervormige of peuldragende bloemen, met veelbladige, regelmatige bloemkransen, uit vyf bloembladen bestaende, door Jussieu onder de familie van de peulvrucht-dragende planten, en onder de 17° klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien helmstyltjes; hier zyn de meeldraden met hunne helmdraden tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid.

De Winkel-Geitenruit (Galega officinalis) is eene langlevende kruidplant van Europa, dat in België, Frankryk, Spaenje en elders in de meerschen en weilanden groeit, alwaer zy gezaeid en van veel liefhebbers in de bloemhoven wordt geplant, zy wast met getakkelde stengen, omtrent 60 of 70 centimeters hoog, en steeltjes die met negen lansvormige blaedjes zyn versierd, die eenigzins aen de groote Krok gelyken en ook de gedaente van de Wilde Witsen hebben, bloeit alhier meest in july, met aren en blauwe, vlindervormige bloempjes, die eenen zeer welriekenden geur inhouden en peulen met smalle hauwtjes voortbrengen. Deze plant wordt in Frankryk veel op drooge gronden in de weiden gezaeid en met andere grasplanten in 't hooi gedroogd, waeraen zy eenen aengenamen geur verschaft, zy wordt van de kruidetende dieren gretig gezocht en voor zeer gezond geacht: als de jonge paerden er van eten, dryft dit hooi, of het kruid versch gevoederd, al de wormen af, het sap uit dit winkelkruid en bloemen gehaeld, is zeer dienstig voor de jonge kinderen die met stuiptrekkingen zyn gekweld, het zaed heeft ook eene wormverdryvende kracht. Men heeft in Frankryk zaed van de oostersche Geitenruit (Galega orientalis) verkregen, die veel in de drooge meerschen, gebergten, velden en weiden wordt gezaeid, om zoowel groen als droog de kruidetende dieren mede te voeden, daer zy een kloek en gezond voedsel inhoudt. Men zou die nieuwe soort van voedering in de beemden der kempische heigronden en de schrale gebergten van de Ardennen en Luxemburg kunnen zaeijen, wel bemerkende nogtans dat de grond vóór het zaeijen eerst moet gebroken of omgeploegd worden. De venynige Geitenruit (Galega tovicaria van Willdenow) is een langlevend heester-houtgewas van de West-Indiën, dat alhier in de warme serren wordt gekweekt, en meest in mei bloeit, met zeer lieflyke blauwe bloemen. De blauwverwige Geitenruit (Galega tinctoria van Linnaeus), die van Ceylan alhier is overgezonden, wordt ook in de matige serren gekweekt. w De rooskleurige Geitenruit (Galega rosea van Lamarck) is een langlevend, houtachtig heestergewas van de Kaep de Goede Hoop, dat sedert veel jaren in België is overgevoerd, bloeit meest in juny, met zeer lieflyke rooskleurige bloemen, maer deze plant kan onze koude winters niet wederstaen, en wordt in potten in de oranjehuizen bevryd. De drie laetstgemelde gewassen kunnen door het ryp zaed in de lente, op schotels of in potten worden voortgezet, maer daer de zaeijelingen lange jaren wachten van bloemen te dragen, worden zy meest door afzetsels en inleggers in den heigrond, op warme broeibakken, aengekweekt, die het volgende jaer alreeds bloemen geven.

GEMBER, Gengber, Geneberg, in 't fransch Gingembre, Amome des Indes, in 't latyn Amomum, is door Jussieu onder de familie van het indiaensch Bloemriet gesteld, en onder de 1e klasse van Linnaeus, Monandria monogynia, eenhelmigen, slach van planten die met één meeldraedje bloemen en maer één stampertje hebben. De Gember of Geneberg (Amomum zingiber van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van de Indiën, die meest tusschen de twee zonnekeerkringen wast, van daer in België is overgebragt en by sommige liefhebbers in de warme serren wordt gekweekt. Zy groeit met levende, dikke wortels, in struiken, met donkergroene bladen, die wel aen de Waterlisch gelyken, waeruit schachten spruiten, die omtrent 1 meter hoog wassen, bloeit met aren en vyf bloemblaedjes in de kransjes, en lipvormige bloempjes met drie lobbetjes in de honigkelkjes verdeeld. De wilde Gember (Amomum zerumbet) groeit meest in de Indiën, met bladen aen de wortels en bloote schachten, en bloeit met langwerpige, plompe aren. De kardamom Gember (Amomum cardamomum) groeit in de Indiën, met enkele, korte schachten en hangende aren. De Paradyszaed-Gember (Amomum granum paradisi) is eene langlevende kruidplant van Madagascar, zy groeit met groene bladen en lage, getakkelde stengen, te Malabar en elders in de Indiën, alwaer zy veel in de moeshoven door de inwoners wordt geplant, om in de huishoudens, in stede van peper, te gebruiken en handel in te dryven, want het is meest van Malabar dat de beste Gember voortkomt, die naer Europa verzonden wordt, om in velerlei spyzen te gebruiken.

« VorigeDoorgaan »