Pagina-afbeeldingen
PDF

ZESDE HOOFDSTUK.
EF.

Fabricia. - Fagara. - Fagraea. - Ferraria. - Flerecynkruid. Fluweelbloem. - Fontanesia. - Fonteinkruid. – Fothergilla. – Framboos. – Fuchsbet.

FABRICIA, in 't fransch Fabricia, in 't latyn Fabricia, is door Jussieu onder de familie van den Myrtusboom gesteld, en onder de 12° klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintighelmigen, planten die meer dan twintig meeldraden hebben, op den bloemkelk vastgehecht, en maer een stampertje. De Fabricia met gladde bladen (Fabricia glabra van den Hort. Brit.), is een langlevend, klein boomgewas van Nieuw-Holland, dat sedert tien jaren in België is overgevoerd; het groeit hier heestergewys, zeer getakkeld, met altoos groenblyvende, gladde, blinkende bladen, en bloeit meest in de matige serren, van mei tot in juny, op de toppen der takken, met witte bloemen, waervan de onderste bloembladen met lieflyk hoogrood gevlekt zyn. De Fabricia met effene bladen (Fabricia laevigata), is ook een langlevend heester-houtgewas van Nieuw-Holland, dat by onze bloemisten te vinden is, over vyf jaren hebben zy nog van die landstreek den lymerigen Fabricia (Fabricia gluca) verkregen, die in de matige serren van in april allerschoonste bloemen draegt. Deze heester-houtgewassen groeijen in de noordelyke deelen van Nieuw-Holland. De aenkweeking kan door het ryp zaed, in den heigrond, in eene matige serre geschieden, en omtrent maert of april, door stekking der afzetsels en inleggers, in goeden heigrond, die binnen den zomer wortel vatten, maer toch 's winters in de oranjehuizen moeten bezorgd zyn.

FAGARA, in 't fransch Fagara, in 't latyn Fagara, is door Jussieu onder de familie van den Terpentynboom gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, slach van planten die met vier meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De Fagara evodia van Linnaeus is een langlevend houtgewas van de Oost-Indiën, dat in België sedert verscheidene jaren is overgevoerd, en alhier by sommige liefhebbers in de warme serren wordt gekweekt, het groeit heestergewyze, zeer getakkeld, met langwerpige, lansvormige, overeenstaende bladen versierd, en bloeit meest in mei, met vier bloembladen in de kelken en vier bloemblaedjes in de kransjes, die vruchten, in twee schelpjes gesloten, voortbrengen. De kerns van deze vruchten, die de grootte van een klein Hazelnootje hebben, worden in de Indiën, Egypten, en elders in de warme landen, ryp vergaderd; zy bezitten eene warme, drooge kracht. De Fagara pterota van Linnaeus is een langlevend heestergewas van de Jamaïksche Eilanden, het groeit met stengen die alle jaren uit de wortels spruiten, bladstelen met uitgepunte bladen, en bloemen die aen de voormelde gelyken. Deze plant bezit eenen vuilen, stinkenden bokengeur, die den mensch hoofdpyn kan veroorzaken, en wordt derhalve alhier weinig gekweekt. De Fagara piperita groeit meest in Japan, de Fagara tragodes, van Amerika, en de Fagara octandra, van Zuid-Amerika, worden te Gent en elders by sommige bloemisten gevonden. De aenkweeking kan door het korrelzaed, op de wyze van de Camellias, en door afzetsels en inleggers, op warme broeibakken, geschieden. FAGR.AEA, in 't fransch Fagraea, in 't latyn Fagraea, is door Jussieu onder de familie van de Hondendood-planten gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, slach van planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben. De Fagraea zeylanica van Linnaeus is een langlevend heesterhoulgewas van Ceylan, dat in België sedert meer dan 30 jaren is overgevoerd, en alhier in de oranjehuizen wordt gekweekt; het bloeit meest van in mei tot juny, met klokvormige bloemkelken en trechtervormige bloemkransen, die vleezige beziën met ronde zaedkorrels voortbrengen. De Fagraea met lansvormige bladen, van Rumphius, is een langlevend heester-houtgewas van het eiland Java, dat in het jaer 1843 in België werd overgebragt, en onder de verzameling van vreemde nieuwe planten, eerst in 1844, in den Casino te Gent, door M. Von Siebold, werd ten toon gesteld, onze bloemisten hebben er jonge planten van verkregen, die zeer lieflyke bloemen dragen.

Deze gewassen kunnen door het ryp zaed en door afzetsels en inleggers, op lauwe broeibakken, in den heigrond, aengekweekt worden. De sappige, vleezige beziën bezitten de krachten van de Hondendood-planten, en worden derhalve inwendig niet gebruikt.

FERRARIA, in 't fransch Ferraire, in 't latyn Ferraria, is door Jussieu onder de familie van de Lischplanten of Iris gesteld, en onder de 20° klasse van Linnaeus, Gynandria triandria, helmstyligen. De meeldraden zyn met drie stampertjes tot één lichaem samengegroeid.

Sommige nieuwe Kruidkenners stellen deze plant onder de 16° klasse van Linnaeus, Monadelphia triandria, éénbroederigen, die een veranderlyk getal meeldraden hebben, welke tot één lichaem vereenigd zyn.

De Ferraria met gevlamde bloemen (Ferraria undulata van Linnaeus), is eene kruidplant van de Kaep, met geknobbelde, bolvormige wortels, die in de lente alhier in de bloemhoven wordt geplant; zy groeit met lischvormige, groene bladen, waertusschen alle jaren in juny stengen uit de scheeden spruiten, die maer omtrent 20 of 25 centimeters hoog wassen, waerop meest met het beginne van july zesbladige, bruin- en purpergevlekte bloemen bloeijen, met witte randjes en geelachtige boorden, die zeer lieflyk zyn; die schoone bloemen, die gemeenelyk maer 8 of 9 uren openstaen, hebben derhalve, zoo als de Pauwsteerten, ook den naem van achtuer-bloemen verkregen. Deze planten worden, zoo alsook de Ferraria tigridia pavonia, in den herfst, nadat zy hare jonge bloembollen hebben gemaekt en de stengen geheel verdroogd zyn, uit den grond gehaeld, om binnen den winter de bloembollen in het droog fyn zand te leggen, en die voort met de eerste dagen der lente in den vollen grond te planten. By sommige liefhebbers worden die ook wel in de oranjehuizen vroeg in de lente in potten geplant. De bloembollen hebben

eenen bitteren smaek en zyn geenzins voor de menschen eetbaer (Zie verder Pauwsteert).

FLERECYNKRUID, Geraerdskruid, Wild-Vlierkruid, in het fransch Podagraire, Herbe d Gérard, in 't latyn Aegopodium, door Lobel Podagraria belgica genoemd, en door Tournefort Angelica, zy is door Jussieu onder de familie van de schermdragende bloemplanten gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, vyfhelmige planten, die met vyf meeldraedjes bloemen en twee stampertjes hebben.

Het Flerecynkruid (Aegopodium podagraria van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van België, die ten alle kanten aen de hagen, wegen en grachten wast, met witte, levende wortels, stengels die alle jaren vroeg in de lente uit de wortels spruiten, en omtrent 60 of 70 centimeters hoog wassen, en bladstelen die gemeenlyk met zeven eironde bladen zyn versierd, welke eenigzins aen de vlierbladen gelyken, bloeit hier meest op het einde van juny, met witte, kroonvormige bloemen, die kleine, eironde, gegroefde zaedjes voortbrengen. Deze plant, die als onkruid ten alle kanten is verspreid, is om hare nuttige deugden van over zeer oude tyden in België bekend. De wortels van het Flerecynkruid, welke eene zeer vette, slymerachtige stoffe inhouden, gestooten en met olie gemengd, zyn goed om de wonden of geslagene blauwe plekken zuiver te genezen. Zy doen het geronnen bloed scheiden en ook de kropklieren en alle andere harde gezwellen op korten tyd verdwynen; zy zyn ook zeer dienstig om op de klonters van de geronnen melk die de vrouwen, als zy jong van kinderen zyn, somwylen in de borst kwellen, te leggen.

Die wortels te samen met Lischwortels (Iris) in poeijers gestampt, of versch gestooten, en als plaesters gebruikt, verzoeten en genezen de heuppyn of sciatica. De heer Sydenham, een vermaerde engelsche doctor, zegt dat de wortels, met Mostaerdzaed gestampt en plaestergewyze op de heupjicht of flerecyn gelegd, de pyn zeer verzoeten kan. De kundige Lobel heeft ook de wortels van het Flerecynkruid beschreven, en zegt dat zy de krachten van het Hadikkruid of Wilde-Vlier (Sambucus ebulus) hebben, en uitwendig alleenlyk waer dit Hadikkruid te pas komt, mogen gebruikt worden. Dit kruid is tot heden zonder medesoorten van zyn geslacht in België bekend.

FLUWEELBLOEM, Afrikane, Tunisbloem, in 't fransch Oeillet des Indes, in 't latyn Tagetes, is onder de 14e klasse, 2° sectie van Tournefort, der Straelbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonwyze geschikte bloemplanten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmigen, 2° order, overbodige veelwyvery of overbodige samenhelmigen; vyf meeldraden zyn onderlinge met hunne helmknopjes samengegroeid. De groote of verhevene Fluweelbloem (Tagetes erecta van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Mexiko, die in België alle jaren vroeg in de lente in de bloemhoven wordt gezaeid, en groeit met eenen getakkelden stengel en groene blaedjes die eenigzins aen de Peterseliebladen gelyken, bloeit alhier van july tot in october, met blooten vruchtbodem, getande bloemkelkbladen en groote gele bloemen, waervan men door het zaed veel medesoorten verkrygt, met enkele en dubbele bloemen, die fluweelachtig zyn en een schoon donker- of bleekgeel kleur hebben. De uitgespreide Fluweelbloem of Tunisbloem (Tagetes patula van Linnaeus) is eene éénjarige bloemplant, die alle jaren in de lente in de bloemtuinen wordt gezaeid; zy groeit met eenen stengel, die een weinig kleiner is dan dien van de voormelde, maer heeft dezelfde gedaente van bladen en bloemen. Men behoudt gemeenlyk de schoonste dubbele bloemen voor het zaed, waeruit men verschillige kleuren bekomt. Het zaed van deze bloemen is door Keizer Karel V, eerst in 't jaer 1534, uit Tunis naer België overgebragt, waerdoor zy

meest den naem van Afrikanen en Tunisbloemen hebben behou

den; zy plagten in België veel gezaeid te worden, om de bloem

« VorigeDoorgaan »