Pagina-afbeeldingen
PDF

onder de 10° klasse, 2" sectie van Tournefort gesteld, der vlindervormige of peuldragende bloemen, met veelbladige, onregelmatige bloemkransen, die gemeenlyk uit vyf bloembladen bestaen; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht-dragende planten, en onder de 17° klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien helmdraden, die tot twee afzonderlyke lichamen zyn samengegroeid. De Hof-Erwt (Pisum sativum van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Europa, die in België in de moeshoven wordt geplant, en groeit met gerankte stengels en ronde bladstelen, met hechtrankjes of houdvastjes, die zich rond het ryshout winden; zy bloeit, volgens den tyd van planten, in de lente, met vlindervormige bloemen, die schelpen of hauwen voortbrengen. De Akker-Erwt (Pisum arvense) is ook eene éénjarige plant, die in de velden en moeshoven, tot voedering wordt gezaeid. Men heeft heden wel 20 verschillige soorten van Erwten bekomen, die vroeg en laet, van in de lente tot in den zomer, worden geplant, en onder de namen van Zwarte Oogen, Baron Erwten, pruississche Schelp-Erwten, engelsche Klimmers, hollandsche Weijers, groote Schelpen, Krombekken, Wierbloemigen zyn gekend; zy dragen meest allen verschillige bloemen, en worden geplant om in de huishoudens groen en droog te gebruiken. De Erwten versch geëten, hebben eenen aengenamen smaek. Een behendige hovenier zal wel opletten van nooit zyne Erwten twee achtervolgende jaren op dezelfde plaets te planten, maer die stiptelyk alle jaren te verlanden, anders loopt men gevaer dat die mislukken en schier geene vruchten voortbrengen : derhalve is het zeer prysbaer die maer alle 3 of 4 jaren te planten waer zy geslaen hebben. De jonge Erwten versch gestoofd, maken goed bloed, inzonderlyk als zy met jonge topjes van Roozemaryn bereid worden. Met het sap waerin de Erwten gekookt zyn, het aenzicht gewasschen, maekt de huid klaer, doet alle sproeten en vlekken van 't vel verdwynen, en geneest ook het kwaedzeer van het hoofd. De jonge Erwten kunnen ook, zoo als van de Platteboonen gezeid is, op verscheidene wyzen ingelegd worden. De drooge Erwten gekookt en door eene tems gesteken, zyn zeer goed om erwtensoep te maken. De drooge Erwten gemalen, worden gebruikt om 's winters de beesten te voeden. Het fynste meel, dat een kloek voedsel inhoudt, er uitgezift, is goed om brood van te bakken, waeraen het eenen zoeten smaek verschaft; het wordt veel van de bergbewoners gebruikt. Verder worden de Erwten op verscheidene wyzen in de keuken bereidt, en gebruikt om de dieren te voeden.

ERYTHROXYLON, in 't fransch Erythrowyle, in 't latyn Erythrowylon, is door Jussieu onder de familie van den Malpighiasboom gesteld, en onder de 10 klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, boomen die met tien meeldraden bloemen en vyf stampertjes hebben. w

De peruviaensche Erythroxylon (Erythrowylon peruvianum) is een langlevend boomgewas van Peru, dat in het land zyner afkomst omtrent 4 meters hoog wast, met eenen tammelyk dikken stam, wyd uitgebreide takken en zeer schoone, lommerryke, groene, eivormige bladen, bloeit in Peru van january tot in april, met schroefvormige bloemkelken en hooggele bloemen, op de randen gevlekt, die geschubde honigkelkjes hebben en zeer schoone vruchten voortbrengen, als noten in bolsters gesloten, die dikwils met drie kerns gevuld zyn.

Dit wonderbaer boomgewas, dat in Peru tot 3 meters hoogte bekomt, blyft in België, alwaer het in de warme serren moet gekweekt worden, heesterachtig, het wordt door de Peruvianen Coca genoemd en als eene geheiligde plant aenzien, die van in de vroegste tyden door de Incas voor de groote nationale plegtigheden werd bewaerd : men brandde die op de autaren der Zon, en men aenzag als een gelukkig voorteeken, toen de welriekende damp als eene ligte kolom omhoog steeg en als eene wolk boven het hoofd des offeraers bleef zweven. Buiten den tempel werd zy ook gebezigd om een water van te distilleren, welk nu als een krachtigen minnedrank werd geacht, dan als een onfeilbaer middel tegen alle kwalen en voornamelyk tot het herstellen der verzwakte krachten. Men gebruikte die nog om zich te onthouden van eenig kwaed te bedryven; men bood die den stervenden aen, en wanneer hy er het sap met de lippen of tanden kon uitdrukken, was men vezekerd hem aen den dood te ontrukken. De invloed dier plant op het geluk des levens was zoodanig, dat een inboorling van het een of ander geslacht, arm of ryk, nog heden gelooft met de grootste ongelukken bedreigd te zyn, wanneer hy van de Coca beroofd is, ook draegt iedereen er eene zekere hoeveelheid van over zich, in een zakje besloten, welk hy aen den hals hangt of aen zynen gordelriem hecht. De versch geplukte bladeren van die plant worden gemengd met een weinig kalkaerde of met het zaed van een slach van Ganzevoet (Chenopodium quinoa); men maekt er balletjes van die men zoo lang mogelyk in den mond houdt, en drie mael daegs knauwt, 's morgens, 's middags en 's avonds. De ongelukkige tot de mynen veroordeelde, de half maekte behoeftige, die geen ander voedsel heeft dan een weinig turksch koren en eenige aerdappelen, de landbouwer te midden van zynen veldarbeid, de herder die zyne kudden in de woestynen of op de yskoude toppen der bergen volgt, verdragen hunne ellende met geduld, vergeten hunne vermoeijenissen met blydschap, indien zy eenige bladeren van de Coca op zich hebben. Alle bedenkelyke heilzame deugden worden door de Peruvianen aen dit boomgewas toegeschreven. Nadere onderzoekingen van kundige mannen hebben echter vele van die gewaende krachten der Coca doen verwerpon. Men heeft gevonden dat de bladeren, die eenen aengenamen reuk uitwasemen, vele gom van eenen bitteren smaek bezitten, geknauwd, houden zy den mond in eene weldoende frischheyd en geven aen de speekselklieren eene goede, deugdzame warmte; zy worden als een aendryvend middel geacht, om de vezels en spannende spieren van het lichaem te herstellen, en ook tegen de verrotting der tanden en tot mondzuivering in poeijer gebruikt. Het sap uit die bladeren getrokken, is van de zeevaerders en walvischvangers zeer geacht, om op hunne lange reizen het schuerbuik te genezen. Volgens het verslag van M. Martial Cloquet, koninglyke kommissaris van België by de vereenige Maetschappy te Guatemala, aen den Minister van buitenlandsche zaken, in 't jaer 1844 overgezonden, groeit die boom zeer veel in de bosschen van het eiland SintThomas, veel 10 meters hoog, en is aldaer ook onder den naem van Coca bekend. De Erythroxylon areolatum van Linnaeus groeit meest in de bosschen en bergen van het eiland Jamaïka, wel 4 of 5 meters hoog; hy bloeit met witte bloemen die vruchten-met een rood sap gevold voortbrengen, welke, volgens Jacquin, door geene dieren geëten worden. Deze boomen kunnen aen de belgische luchtgesteldheid niet wederstaen, en moeten alhier geheel het jaer in de warme serre verblyven. Zy kunnen door het ryp korrelzaed op warme broeibakken gezaeid en ook door afzetsels aengekweekt worden.

ESSCHENBOOM, Esch, in 't fransch Fréne, in 't latyn Frarinus, is onder de 18° klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, der boomen die bloembladloos bloeijen, welke geene bloemkransen hebben, door Jussieu onder de familie van de Jasmyn, en onder de 23° klasse van Linnaeus, Polygamia dioecia, veelechtigentweehuizigen, met tweeslachtige en met mannelyke en vrouwelyke bloemen, die nu eens beiden op eene steng, dan afzonderlyk op lWee stengen aenwezig zyn. Men vindt heden in België veel verscheidene soorten van die boomen : De gemeene Esschenboom (Fraxinus excelsior van Linnaeus) is een langlevende, groote boom, die natuerlyk eigen acn België schynt te zyn, en alhier ten alle kanten in de vochtige bosschen wast; hy groeit ook wel van zelfs in 't wild, aen de kanten der velden, inzonderheid waer het wat vochtig is. De enkelbladige Esch (Fravinus monophylla) groeit ook veel in België op drooge en vochtige plaetsen, in de velden en bosschen. De volgende soorten zyn uit vreemde landen alhier overgebragt : de Esch met vliervormige bladen (Fraxinus sambucifolia van Willdenow), van Noord-Amerika, de Esschenboom met okkernootbladen (Fraxinus juglandifolia), van Amerika, de Esch met vierhoekige bladen (Fraxinus quadrangulata), van Noord-Amerika, de Esch met kleine bladen (Fravinus parvifolia van Willdenow), van China, de Esch met breede vruchten (Fraxinus platycarpa), van de Carolinen; de Esschenboom met gewolde bladen (Fraxinus pubescens), van het landschap Pensylvanië, de donkergroene Esch (Fraxinus atrovirens), van Amerika, de Esch met Lentiscusbladen (Fraxinus lentiscifolia), van Klein-Azië. Deze boomen willen in allerlei gronden geheel wel groeijen, als die maer niet te schrael en mager zyn, en worden by ons meest alleen uit liefhebbery, om de verandering der gewassen, in de lusthoven gekweekt; zy kunnen allen onze wintersche koude zeer wel wederstaen. Men vindt nog onder de Esschenboomen den Fraxinus humilior, Fraxinus minojefolia, Fraxinus floribus completis en den Fraxinus formus, die meest in de warme gewesten van Azië, Griekenland, Italië en Zuid-Frankryk groeijen. Het is van deze Esschenboomen dat de beste manna voortkomt, die tegen verscheidene ziekten, zoo als vallingen, buikvloed, enz., by de apothekers wordt verkocht. Deze manna wordt door insnyding der schors tot op het spek uit die boomen getrokken, en vloeit ook van zelfs uit de takken en stelen, door de warmte der zon, hetgeen meest by heete zomerdagen geschiedt. Door de lucht en warmte verdikt die tot kleine korreltjes van een wit kleur, die geheel hard en nadien geelachtig worden, welke korreltjes 's morgens vroeg verzameld, en vervolgens overal verzonden worden. Voordezen geloofde men dat de manna eene vette spyze was, die uit de lucht viel en op de bladen van die boomen kwam te stollen; maer by een nader nauwkeurig onderzoek, heeft men wel bevonden dat zulks zoo niet geschiedt, maer dat de manna uit die boomen door de hitte zweet en op die wyze vergaderd wordt. De beste manna wordt van de drogisten meest uit Griekenland, Italië en Sicilië getrokken. Er wordt ook in Zwitserland, Tirol, Savoijen, Zuid-Frankryk eene soort van manna vergaderd, die van de Lorkenboomen (Larit) voortkomt, maer toch zoo deugdzaem niet is als de eerstgemelde, die van Siciliën komt. Men ziet die hier ook somtyds op de bladen van de Lorkenboomen by heete zomers stollen, maer zy is van te klein belang, en niet overvloedig genoeg om die te verII. I 1

« VorigeDoorgaan »