Pagina-afbeeldingen
PDF

gedaen en vervolgens, verrot zynde, met mest vermengd om de landen te vetten.

EIKEN-WARENKRUID, Engelzoet, in 't fransch Fougère polypode, in 't latyn Polypodium, van Tournefort Polypodium filiar, en onder zyne 16e klasse gesteld, der bloembladlooze planten, welke geene geslachtsorganen noch bloembekleedsels, maer bladen hebben; door Jussieu onder de familie van het Varenkruid gesteld, en onder de 24e klasse van Linnaeus, Cryptogamia filices, bedektbloeijenden, slach van planten waervan de bloemen en vruchten onzigtbaer zyn. De Eikenvaren of Engelzoet (Polypodium dryopteris van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, zy groeit veel in België in de bosschen, met stengen die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten en wel 1 meter hoog wassen, met bladstelen en gevleugelde bladen, aen de opperzyde glad geribd, die een bleekgroen kleur hebben. De gemeene Eikenvaren (Polypodium vulgare) is ook eene langlevende kruidplant, die in de bosschen en woeste velden wast, alwaer de Polypodium phegopteris ook veel groeit, maer die toch van bladen eenigzins verschillen. Het gulden Eiken-Varenkruid (Polypodium aureum) en veel andere nieuwe soorten, die van de West-Indiën alhier zyn overgevoerd, worden in de warme serren gekweekt. Men vindt in Dodonaeus Kruidboek en door Lobel beschreven dat het sap der gestootene wortels van de Eikenvaren gebruikt om het hoofd te wasschen, het haer kan doen uitvallen van die het kwaedzeer of haerworm hebben en het vel kael en glad maekt. De wortels worden ook ten dien einde in poeijer gebruikt, en als pappen voor den haerworm op het hoofd gelegd. Veel soorten van Varenkruiden worden hier algemeenlyk van de landlieden Warengenst genoemd, maer hebben toch van de Kruidkundigen allen verschillige namen ontvangen : zoo als de Krulvaren, Boomvaren, Steenvaren, Bloemvaren, enz. Zy houden allen eene bezondere kracht in, die ik by elk, volgens hunnen naem, in den loop van dit werk zal beschryven.

ELAEOCARPUS, in 't fransch Eléocarpe, in 't latyn Elaeocarpus, is door Jussieu onder de familie van den Gullierboom gesteld, en onder de 13° klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmigen, planten of bloemen die van twintig tot honderd meeldraden, op het vruchtbeginsel vastgehecht, en maer een stampertje hebben.

De blauwe Elaeocarpus (Elaeocarpus cyaneus) is een klein boomgewas van Nieuw-Holland, dat in België sedert eenige jaren is overgevoerd en alhier in de matige serren gekweekt wordt, het groeit met langwerpige, donkergroene bladen, en bloeit meest in april, met hangende, enkele bloemtrosjes en kleine, witte bloempjes, die aen de takjes, op de deelen waer geene bladen staen, bloeijen; zy brengen schelpvruchten met gekrolde zaedkorrels voort.

De witte Elaeocarpus (Elaeocarpus albus) en de Elaeocarpus dicera, van Ceylan, met nog andere soorten van Nieuw-Holland, kan men by onze hoveniers te Gent bekomen. Deze schoone houlgewassen moeten in de matige serren gekweekt worden, en kunnen door afzetsels in potten, op warme broeibakken in den heigrond, aengekweekt worden, met zorg gekoesterd, zullen zy welhaest wortel vatten.

Men heeft alhier op de tentoonstelling der bloemen van het jaer 1844 eene nieuwe soort van die planten, den Elaeocarpus lanceolatus, bemerkt, die door den heer Von Siebold, van Leyden, uit het eiland Java, in 1843 was overgebragt; dit schoon gewas, waervan hy onze bloemisten heeft medegedeeld, is nog zeldzaem verspreid.

ELAEODENDRUM, in 't fransch Elaeodendrum, in 't latyn Elaeodendrum. Deze plant is onder de familie van eene onzekere soort gesteld, maer onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De Elaeodendrum orientale van Willdenow is een langlevend heester-houtgewas van de Oost-Indiën, dat in het land zyner afkomst tamelyk hoog wast, met zeer schoone, lommerryke bladen versierd; het is sedert verscheidene jaren in België overgevoerd, maer blyft alhier heesterachtig, en bloeit van in mei, met bloemen op de toppen der takjes, die vyf bloembladen in de bloemkransen hebben en eironde vruchten met kerntjes voortbrengen. De Elaeodendrum argan van Willdenow is een langlevend heester-houtgewas van Afrika, dat veel in Algiers en het keizerryk Maroc groeit, van waer die plant in België is overgevoerd en hier by onze bloemisten wordt gekweekt. De Elaeodendrum indicum van Jacq. is een zeer schoon, langlevend heestergewas van de Indiën, welk de heer Alex. Verschaffelt van daer heeft verkregen, en in het jaer 1844 voor de eerste mael in den Casino te Gent ten toon heeft gesteld; het is nog zeldzaem by onze bloemisten verspreid. Deze schoone heestergewassen moeten in de matige serren worden bezorgd, en kunnen door het ryp zaed, op de wyze van den Rhododendrum, gezaeid, en door inleggers en afzetsels in den heigrond, op warme bloeibakken, aengekweekt worden.

ELEFANTSVOET, in 't fransch Pied d'éléphant, in 't latyn Elephantopus, is door Jussieu onder de familie van de bloemtrosdragende planten gesteld, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia segregata, samenhelmigen; vyf meeldraden zyn onderlinge met hunne helmknopjes samengegroeid; 5° orde, afgescheidene veelwyvery; alle bloemen zyn tweeslachtig en staen nauw op elkander, maer zyn elk afzonderlyk in een bezonder klein omwindsel bevat.

De ruwe Elefantsvoet (Elephantopus scaber) is eene langlevende kruidplant van de Oost-Indiën, die alhier in de matige serren wordt bezorgd, en groeit met langwerpige, ruwe bladen aen de wortels, waeruit van in maert stengen spruiten, die omtrent 1/2 meter hoog wassen, bloeit meest in mei, met zeer lieflyke bloemen. Deze plant heeft eerst in het jaer 1838 by onzen bloemkweeker Van Geert gebloeid. Sedert heeft men van de Indiën nog nieuwe soorten bekomen, waervan de bloembladen in de bloemkransjes tongvormig zyn geschikt. Zy worden allen 's winters in de matige serren bevryd, en kunnen door het ryp zaed, afzetsels en wortelscheiding met zorg aengekweekt of vermenigvuldigd worden. Wat krachten die planten mogen bezitten is my niet bekend.

ELZENBOOM, Elzenhout, in 't fransch Aune, Aunette, in het latyn Alnus, door Tournefort Betula alnus genoemd, en onder zyne 19° klasse, 3° sectie gesteld, der boomen die katjes dragen, of wier bloesems bloembladloos zyn ; door Jussieu onder de familie der Berkenboomen, die met katjes bloeijen, en onder de 21° klasse van Linnaeus, Monoecia tetrandria, eenslachtige bloemen of eenhuizigen; er zyn mannelyke en vrouwelyke bloemen, welke op éénen steng of boom aengetroffen worden, die vier helmstyltjes in de mannelyke bloemen en vier stampertjes in de vrouwelyke bloemen hebben. De gemeene Elzenboom (Alnus communis van Desfontaines of Alnus glutinosa van Willdenow) is een langlevend boomgewas van Europa, groeit in België, ook in veel andere gewesten, tamelyk hoog, met rondachtige bladen. Men vindt heden zeer veel soorten van die Elzenboomen, zoo als den Els met langwerpige, scherppuntige, effene bladen, den Els met hartvormige bladen en anderen, welker bladen hangen en gesnippeld zyn. De Berg-Els (Alnus montana) met breede, gekronkelde, lymerige, getande bladen, de Els met olmbladen, en veel andere soorten groeijen in België ten alle kanten, maer begeren eenen vochtigen grond. Voor het overige, al de Elzenboomen zyn te wel bekend, om hunne gedaente en wyze van groeijen te beschryven. De Elzenboomen worden meest door het zaed aengekweekt, hetgeen met het voorjaer in goede , wel bewerkte, vochtige gronden geschiedt, en na 3 of 4 jaren groeijens verplant; by het verplanten mag men de topscheuten niet te kort afsnoeijen, maer alleenlyk een weinig het einde der wortels korten, anders willen zy niet opschieten. De Elzen worden gemeenlyk op 1 meter afstand rondom de akkers, aen kanten en slooten geplant, maer om bosschen mede aen te leggen, worden zy gewonelyk op 2 meters

w

afstand geplant. Het zaed moet op het einde van october verzameld worden, om in de lente te zaeijen. t Het Elzenhout is zacht en ligt verrottend, maer onder water, tot buizen, palen, enz., is het onvergankelyk. De glasblazers en broodbakkers stellen het vóór al ander hout. De kolen van dit hout zyn van de zilversmeden zeer geacht, en worden ook tot het maken van buskruid gebruikt. De schors van dit hout met oud roestig yzer eenige dagen in water en azyn geweekt, geeft een zwart kleur, nuttig aen hoedenmakers, leerbereiders en verwers, om wollen stoffen zwart te verwen. De schors en zaedknopjes werden voordezen, in stede van galnoten gebruikt, om inkt te maken. De groene bladen van den lymerigen Els 's morgens vroeg geplukt, en versch in de kamers gestrooid waer vlooijen zyn, en na eenige uren weer wel uitgeveegd, nemen de vlooijen weg, dewyl zy op de bladen, die met een vet, slymerachtig stof besmeerd zyn, blyven vastkleven. Men heeft sedert eenige jaren in België den Elzenboom met gezaegde bladen (Alnus serrulata) uit Amerika verkregen, die om zyne schoone bladen, tot verandering van gewassen, in de lusthoven wordt geplant, en welks schors ook eene zwarte verw bezit. De bladen van al de Elzenboomen dienen om 's winters de planten te dekken, verrot zynde, geven zy goede vette om met mest te vermengen en heigrond te maken.

EMBOTHRIUM, in 't fransch Lomatie, Embothrium, in het latyn Embothrium, is door Jussieu onder de familie van den Zilverboom gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria digynia, boomen die met vier meeldraden bloemen en twee stampertjes hebben.

De Embothrium met Silausbladen (Embothrium silaifolium) is eene langlevende plant van Nieuw-Holland, die sedert 20 jaren in België is overgevoerd, en groeit met eenen stengel omtrent 60 of 70 centimeters hoog, met dubbel gevleugelde bladen en kleine smalle blaedjes, bloeit van juny tot in augusty, met bloemtrosjes op de topjes der takjes en zeer lieflyke, geelachtige witte bloemen, die eenen zoeten geur inhouden.

« VorigeDoorgaan »