Pagina-afbeeldingen
PDF
[merged small][ocr errors][ocr errors]

EBBENE, in 't fransch Ebénier, in 't latyn Anthyllis, door Tournefort Erinacea ebenus genoemd, en onder zyne 10° klasse der kruiden en 22 klasse der heestergewassen gesteld, wier bloemkransjes vlindervormig zyn; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht-dragende planten, en onder de 17° klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien helmstyltjes en met hunne meeldraden tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid, die peulvruchten voortbrengen. Men vindt onder deze gewassen veel verschillige soorten: voor eerst, die maer éénjarige kruidplanten zyn, zoo als de Anthyllis tetraphylla, A. cornicina, A. lotoides, van Spaenje en Italië, die in de kruidhoven worden gezaeid. Het Berg-Ebbenekruid (Anthyllis montana) is eene langlevende kruidplant, die meest in het Zuiden van Frankryk wast. Ten tweede, die heesterachtig of kleine houtgewassen zyn, als de Anthyllis Barba Jovis van Linnaeus, een klein boomgewas van Italië, dat in België 's winters in de oranjehuizen wordt gekweekt, en groeit met stengen en altoosblyvende, gevleugelde, witbezilverde bladen, bloeit meest van maert tot in mei, met bloemtrosjes en zeer schoone gele, vereenigde bloempjes. Het Ebbene-houtgewas (Anthyllis cretica van Willdenow) is een langlevend houtachtig gewas van Griekenland, dat veel in Italië en andere warme landen groeit, en in België in de matige serren, om zyne schoone bloemen, wordt gekweekt. De Anthyllis catisoides van Linnaeus is een heesterachtig houtgewas van Spaenje, dat wel van gedaente aen het Wild-Ebbenhout of Geitenklavers gelykt, en veel in sommige lusthoven op warme standplaetsen wordt gekweekt, maer toch 's winters alhier met dorre bladen moet bedekt of in de groenhuizen bevryd worden.

Men heeft onlangs in België nog schoone nieuwe soorten van die houtachtige Ebbene-gewassen van de Indiën verkregen, zoo als den Anthyllis erinacea, van Afrika; den Anthyllis hermania, van de Indiën, die zeer schoone bloemen dragen, maer 's winters aen de luchtgesteldheid van België niet kunnen wederstaen en in de oranjehuizen moeten bezorgd worden. Zy kunnen zeer gemakkelyk door het ryp zaed, uitloopers, inleggers en afzetsels, op warme broeibakken, onder het glas, aengekweekt worden. De peulvruchten dienen in de warme landen om kiekens en ander pluimgedierte te voeden.

EENAPPEL, Vosse-druiven, Spinnekop-kruid, in 't fransch Herbe a Paris, Raisin de Renard, in 't latyn Paris, door Tournefort Herba paris genoemd, en onder zyne 5° klasse, 8° sectie gesteld, der Kruisbloemen, met veelbladige, regelmatige bloemkransen, die uit vier kruislings geplaetste bloembladen bestaen; door Jussieu onder de familie van de Rietplant, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria tetragynia, planten die met acht helmstyltjes bloemen en vier stampertjes in de bloemkelken hebben. De vierbladige Eenappel (Paris quadrifolia van Linnaeus) is een langlevend kruid van Europa, het groeit in België meest in de lommerachtige bosschen, op vochtige plaetsen, met langlevende wortels, waeruit in de lente bloote, enkele, ronde stengen spruiten, die omtrent 15 of 20 centimeters hoog wassen, en op wier middenpunt vier bladen groeijen, die kruiswyze over elkander ringwyze zyn geschikt, en breedpuntig, langwerpig geribd of geaderd zyn, waertusschen, en op de toppen der stengels, meest - in mei geelachtige groene bloempjes wassen, met vier smalle bloembladen en meeldraedjes die eene spinnekop verbeelden, en beziën met de bloemkelken verzeld voortbrengen, die gewoonlyk Vosse-Druiven worden genoemd. Deze plant wordt om hare zeldzame gedaenten wel in de kruidhoven gekweekt, maer zy hindert door hare wortels en uitloopers te veel de gronden. Volgens Lobel en andere oude Kruidbeschryvers, zouden de beziën dezelfde krachten als de Nachtschade-beziën bezitten, die door de menschen ingenomen, zeer hinderlyk zyn; maer volgens Dodonaeus kruidboek, werd dit kruid voorgaendelyk in poeijers bereid en met voorzigtigheid in de medecynen gebruikt, om de krankzinnige, dulle of razende menschen te helpen. Het werd ook nog versch gestooten en op de heete gezwellen, ontstekingen en bloedzweren gelegd. By de oude Kruidkenners werd dit meest Wolfsbeziën genoemd, maer heden wordt het alhier te lande Spinnekopkruid geheeten.

EENDENVOET, Eendenkruid, in 't fransch Podophylle, Pied de Canard, in 't latyn Podophyllum, door Tournefort Anapodophyllum genoemd, en onder zyne 6° klasse, 2° sectie gesteld, der roosachtige bloemen, die eenen veelbladigen, regelmatigen bloemkrans hebben, samengesteld uit drie tot tien bloembladen, door Jussieu onder de familie van de Slaeproozen of Slaepbollen, en onder de 13° klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmigen, wier meeldraden, van twintig tot honderd, op het vruchtbeginsel zyn vastgehecht en die maer een stampertje hebben. De schildvormige Eendenvoet (Podophyllum peltatum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Noord-Amerika, die van over veel jaren in België is overgevoerd, en alhier in de kruidhoven groeit, in struiken, met groote, schildvormige, gevliesde bladen aen de wortels, waeruit alle jaren stengen spruiten, die omtrent 40 centimeters hoog groeijen, waerop zich meest in juny schoone witachtige bloemen vertoonen, die negen bloemblaedjes hebben, waervan drie veel breeder dan de andere zyn. De palmvormige Eendenvoet (Podophyllum palmatum), met handvormige bladen, is eene nieuwe langlevende kruidplant van Amerika, die alhier in de bloemhoven wordt geplant, en alleen door de gedaente harer bladen en den zoeten, aengenamen geur harer bloemen van de voormelde verschilt. . Deze twee schoone wonderbare kruidplanten verdienen in onze bloemtuinen meer aengekweekt te worden; zy kunnen door het ryp zaed en door struikscheiding in de lente vermenigvuldigd worden. Men kan uit die Eendenvoeten zeer schoone medesoorten of varieteiten verkrygen, met enkelyk de bloemen, als die in hare volle spanning zyn, met het teelstof of meeldraedstof van de Anemonebloem of Ranonkels te besproeijen en alzoo vruchtbaer te maken, zelfs het stuifstof van de Heulbloemen treft zeer wel op de stampertjes van de Eendenvoet-bloemen.

EER EN PRYS, Veronika, in 't fransch Véronique, in 't latyn Veronica, is onder de 2e klasse, 6° sectie van Tournefort gesteld, der trechtervormige bloemen, met eenen éénbladigen, regelmatigen bloemkrans, door Jussieu onder de familie van het Luiskruid, en onder de 2° klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, slach van planten die met twee meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben. Men vindt heden in Europa 42 soorten van die Veronikaplanten, zonder de uitheemsche te rekenen, die van de beide Indiën alhier sedert eenige jaren zyn overgevoerd; derhalve zal ik maer de soorten beschryven, die om hare deugden in de huishoudens gebruikt en om hare schoone bloemen in de kruidhoven, matige serren en groenhuizen gekweekt worden. De Winkel Eer en Prys (Veronica officinalis van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die ten alle kanten in België, op drooge plaetsen, in de bosschen, weiden en woeste velden wast, met grondwaerts gestrekte rankjes en regt overeen staende, steellooze, groene blaedjes, aen de rankjes verdeeld; op de topjes der stengen bloeijen meest in juny aren of trosjes, met lieflyke blauwachtige bloempjes, die eenen aengenamen reuk verspreiden. - Deze gemeene Eer en Prys, die alhier den naem van Veronika heeft, is van over zeer oude tyden om zyne nuttige deugden by alle landlieden vermaerd; dit kruid wordt, terwyl het bloeit, vergaderd, en groen en droog in de huishoudens als thee gedronken en als bloedzuiverend middel gebruikt. Al de nieuwe en oude Kruidbeschryvers zeggen dat dit kruid zeer dienstig is tegen de kolyken, de schorftheid uit het lichaem verdryft en de gescheurdheid geneest. De Veronika in witten wyn geweekt, en daervan gedronken, is zeer dienstig tegen de koortsen en doet veel water lossen. Dit kruid versch gestooten, is ook goed om de wonden en gescheurdheid te genezen. Er wordt in vele landen met dit kruid een water gedistilleerd, dat aen de onvruchtbare vrouwen wordt voorgeschreven. De herten, als zy door eenen wolf of andere wilde dieren gekwetst zyn, zoeken dit kruid om er hunne wonden mede te genezen. De Fontein Eer en Prys (Veronica Beccabunga van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die veel in Vlaenderen en elders in België, aen de fonteinen, poelen, meerschen, stroomende waters, grachten, enz., wast, met dikke, eironde, groene blaedjes en gerankte stengels, die maer omtrent 10 of 12 centimeters hoog groeijen, waerop l'einde mei aren of trosjes bloeijen, met zeer lieflyke kleine, blauwachtige bloempjes, welke alsdan alle hare krachten bezitten en vergaderd worden. Deze Veronika heeft eenen zuerachtigen smaek, bezit dezelfde deugden als de Fonteinkers, en wordt van sommige landlieden, die geene kruidkennis hebben, ook Fonteinkers genoemd, zy is zeer dienstig om tegen de geelzucht en verstoptheid van lever en milt te gebruiken. Het sap, uit die Veronika geperst, zegt de doctor Buchan, en op flesschen bewaerd, is een der beste en voordeeligste middels tegen het scheurbuik, die de zeebevaerders, op hunne lange reizen, kunnen gebruiken. Doctor Dupont, van Waerschoot, heeft my, in zyn leven, verhaeld dat het met het sap van de Veronica Beccabunga was, dat hy de bewoners van de vlaendersche polders, die met het scheurbuik waren besmet, gewonelyk genas, hetgeen zyn zoon, Aug. Dupont, vóór zyn overlyden, my ook heeft verklaerd. De volgende soorten van Veronika worden meest om hare lieflyke bloemen en tot verandering van gewassen in de kruidhoven geplant; zy zyn ook wel nuttig voor de menschen en dieren, maer toch zoo voordeelig als de twee voormelde niet geacht. De Eer en Prys met gentianabladen (Veronica gentianoides van

« VorigeDoorgaan »