Pagina-afbeeldingen
PDF

fransch Ciguë, in 't latyn Conium, door Tournefort Cicuta genoemd, en onder zyne 7° klasse, 1° sectie gesteld, der schermdragende bloemen, door Jussieu onder de kroonvormige bloemplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, slach van planten die met vyf meeldraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben. Het gevlekt Scheerlingkruid of Dulle Kervel (Conium maculatum van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Europa; zy groeit veel in België op belommerde plaetsen, in vette gronden, aen de hagen, wegen, beemden, kanten der grachten en elders, met geknoopte, hollige stengen, die omtrent 1 meter hoog wassen, met venkelvormige bladstelen, die roodachtig gevlekt zyn, en veel blaedjes die aen de tamme Kervel gelyken en eenen stinkenden geur inhouden, bloeit alhier van juny tot in july, met witte schermdragende bloempjes. De schadelyke Dulle Kervel of Water Scheerlingkruid (Cicuta virosa van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa; zy groeit in België gemeenlyk in het water, moerassen, vochtige meerschen, met veel gevezelde wortels, dikke, gepypte stengels, omtrent 1 meter hoog, en bladen die aen de wilde Peterselie eenigzins gelyken, bloeit meest in july, met witte, kroonvorm geschikte bloempjes, die een geelachtig sap inhouden. Deze beide Scheerlingkruiden zyn zeer koud van aerd, tot in den vierden graed; derhalve zyn zy inwendig genomen doodelyk voor menschen en beesten, en worden voor een hevig vergiftig kruid gehouden, dat aen al de deelen der ingewanden zeer hinderlyk is. Het Scheerlingkruid is van over zeer oude tyden bekend, en sedert de dood van den wysgeer Socrates de wereld door vermaerd; maer de geschiedenis zegt niet van welke soort van Scheerling de vergiftige drank was bereid, welke die wyze man veroordeeld werd te moeten drinken. Linnaeus denkt dat het met het sap van de Dulle Kervel (Conium maculatnm) is geweest, terwyl de leeraer Haller meent, dat het 't sap van de Dulle-Waterkervel (Cicuta virosa) was, dat Socrates heeft gedronken. De waerheid is, dat beide deze soorten van Dulle of Wilde Kervels een hevig vergiftig sap inhouden.

Gelyk, zoo als ik gezegd heb, de Wilde Kervel (Conium maculatum) veel aen de hagen, wegen, grachten en elders rond de boomgaerden en omtrent de moeshoven groeit, en het ryp zaed zich ten alle kanten verspreid, kan men zonder voordacht zich ligtelyk misgrypen, en de Wilde Kervel voor de tamme nemen, dewyl door het vervliegen van het zaed, de eerste zich somwylen onder de tamme Kervel in de moeshoven zet; derhalve zal ik hier het verschil hunner gedaenten doen bemerken : de bladen en stengen van de tamme Kervel zyn niet met fyne haertjes gewold, en groeijen met een schoon edel groen, dat den reuk van de Peterselie heeft, terwyl de Dulle Kervel fyn gewolde stengen en blaedjes heeft, die donkergroen zyn en eenen slinkenden geur inhouden. Op de plaetsen, weiden en kanten waer die Wilde Kervel wast, ziet men nooit de koeijen of andere kruidetende dieren, die aldaer verkeeren, die plant aenranden; zy hebben door hunne natuerlyke aendrift eenen afkeer van dit kruid, want zy byten het gras rondom af, zonder eenigzins aen die vergiftige planten te I'OGITGIn, De vogelen alleen, inzonderlyk de spreeuwen, eten het zaed zonder er eenige hindernis van te hebben. De menschen die door de Dulle Kervel vergeven zyn, vertoonen dezelfde teekens als die van het hevigste vergift zouden ingenomen hebben: zy bevinden zich in eenen lydenden staet met buiktrekkingen en hoofdpyn, die de oogen verblindt; zy gaen waggelend voort, met eene drooge keel en vurigen dorst, braken zonder te kunnen overgeven, vallen meest in eene koude, ongevoelige slaepzucht, die door stuiptrekkende bewegingen is gevolgd. Het eenigste middel in zulk een geval te gebruiken, is van aenstonds eenen geneesheer te roepen, die door eenen geschikten spuwdrank dit vergift kan doen verdwynen, en de zieken door verzachtende zuerachtige dranken helpen. De kleine Dulle Kervel (Aethusa cynapium) is eene éénjarige kruidplant, die ook ten alle kanten in België in de velden en rond de moeshoven groeit en somtyds ook tusschen de Peterselie gevonden wordt, maer zoo sterk vergiftig als de twee voormelde soorten niet schynt te zyn. Zy is wel kennelyk : de bladen zyn zeer donkergroen, als de Peterselie, de stengen zyn naer den zonnekant peers- of violetachtig van kleur. Als men de Dulle Kervelkruiden tusschen de vingers wryft, wasemt er eenen vuilstinkenden geur uit, maer toch kan men nooit te veel aendacht nemen, als men denkt dat die Dulle Kervels tusschen de tamme zouden kunnen gevonden worden; want een warmoezier, zonder die Dulle Kervels wel te kennen, kan zich somtyds zeer ligtelyk misgrypen. De baron en leeraer Haller, van Zwitserland, verhaelt dat hy zelf, na eenen avond Peterselie geëten te hebben, gedurende den nacht zeer onpasselyk is geweest, en door aenstonds eenen spuwdrank te nemen, dien overkomenden voorval verholpen heeft. Alle oude en jonge Kruidbeschryvers komen over de vergiftige deelen dezer gevaerlyke planten gansch overeen.

DULLE ZWARTE BEZIE, kleine Nachtschade, Bestbezie, in 't fransch Morelle, in 't latyn Solanum, is onder de familie van de Nachtschade gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De Nachtschade of Dulle zwarte Bezie (Solanum nigrum van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten in de velden, kruidhoven en elders wast, alle jaren door het zaed wordt verspreid en van de landlieden als onkruid, onder den naem van Hondskruid, is bekend; zy groeit alhier met zeer veel vezelachtige worteltjes en getakkelde stengels, die omtrent 25 centimeters hoog wassen, met puntige, eivormige, getande bladen, waerop van augusty tot in september witachtige, vyfbladige bloempjes met gele meeldraedjes in de bloemkransjes bloeijen; hierop volgen groene beziën, die met het beginne van october een zwartachtig donker kleur verkrygen, en waervan iedere bezie zeer veel zaedjes inhoudt, die de vogels ten alle kanten 's winters verspreiden.

Het kruid en geheel deze plant bezit eenen vuilen, stinkenden geur, die dwalingen en hoofdpyn kan veroorzaken. Volgens verscheidene schryvers, heeft die plant dezelfde krachten als de Slaep-Nachtschade (Solanum somniferum), die een vergiftig slaepverwekkend middel inhoudt. Deze plant heeft ook van sommige Kruidkundigen den naem van Bestbezie en, zoo als boven gezeid is, van de gemeene landlieden den naem van Hondskruid verkregen. s

DURANTABOOM, in 't fransch Durante, in 't latyn Duranta, is door Jussieu onder de familie van den Kuischboom gesteld, en onder de 14° klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen, en zaedjes dragen die in een zaedhuisje besloten zyn. De Durantaboom van Plumier (Duranta Plumieri van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van de Antillische eilanden, dat in het land zyner afkomst tamelyk hoog en dik wast, maer in België, by onze bloemisten in de warme serren, toch maer heesterwyze groeit, met schoone, gladde, groene bladen, rondom de boorden getand, bloeit byna den geheelen zomer met bloemtrossen en veel kleine vereenigde bloempjes, die in de bloemkelken beziën met vier korreltjes voortbrengen. De grootbladige Durantaboom (Duranta microphylla van Desfontaines) is een schoon langlevend boomgewas van Zuid-Amerika, dat veel in de Antillische eilanden groeit, het wordt in België in de warme serren gekweekt, en bloeit met zeer lieflyke vereenigde bloempjes, die beziën voortbrengen welke de bloemkelkjes verzellen. De Durantaboom van Ellis (Duranta Ellisia) is een langlevend schoon boomgewas, dat in Jamaïka en elders in de warme landen van Amerika natuerlyk groeit, maer in België in de warme serren heesterachtig blyfl; bloeit meest in den zomer, met vereenigde bloempjes, die vyf blaedjes in de kelken hebben, en beziën met vier korrels voortbrengen, die de bloemkelken verzellen. De beziën van deze boomen ryp geëten, bezitten eene ligte buikzuiverende kracht; zy worden in de warme landen van Amerika veel met suiker en konfyt bereid, en als verkoelend middel, om in de huishoudens te gebruiken, van de inwoners geacht. Deze gewassen worden alhier om hunne zeldzame en lieflyke bloemen in de warme serren gekweekt, en kunnen door het kernwaed, inleggers en afzetsels in den heigrond, op warme broeibakken, met zorg aengekweekt of vermenigvuldigd worden.

DYLDISTEL, Roomsche Distel, Boldistel, in 't fransch Echinope, in 't latyn Echinops, van Tournefort Echinopus, en onder zyne 12° klasse, 4" sectie der pypbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van het Asschekruid, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia segregata, afgescheidene veelwyvery of afgescheidene samenhelmigen; alle bloemen zyn tweeslachtig en staen nauw op elkander, maer zyn elk afzonderlyk in een bezonder klein omwindsel bevat.

De Dyl- of Boldistel (Echinops sphaerocephalus van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Italië, die in België by sommige liefhebbers, in de bloemhoven wordt geplant, zy groeit met witte, gewolde bladen, en stengels van omtrent 1 meter hoog, waerop in july zeer lieflyke blauwachtige, vereenigde bloempjes bloeijen, die veel zaedjes met wolle bekroond voortbrengen.

Men vindt by de bloemisten te Gent, de volgende soorten van die roomsche Distels: den Echinops Ritro, van Hongariën; den Echinops bannaticus van Willdenow, van Zuid-Europa; den Echinops horridus, den Echinops ruthenicus, en meer andere, die in den zomer zeer lieflyke bloemen dragen, en derhalve veel in de bloemhoven worden geplant. Zy kunnen door het ryp zaed, in de lente op warme plaetsen, gezaeid, en by vochtig weder met dolkens verplant, of ook door struikscheiding aengekweekt worden. Voor de huishoudelyke gebruiken bezitten zy dezelfde krachten als sommige andere gemeene Distels; maer volgens de nieuwe Kruidbeschryvers, zyn zy warmer en drooger van aerd. Als men sommige van die vreemde Distels tusschen de vingers wryft, hebben zy eenen sterken reuk. In Italië, Hongariën en elders, worden zy met vleeschsap gekookt en als toekruid geëten; de vleezige deelen van de bloemkelk-schyf worden inzonderlyk ten dien einde gebruikt.

« VorigeDoorgaan »