Pagina-afbeeldingen
PDF

meest in de vochtige, moerasachtige meerschen, poelen en staende waters ten alle kanten groeit, met liggende stengels en kleine, ronde, langwerpige bladen, waerop meest in augusty éénbladige, groenachtige gele bloempjes wassen, die gemeenlyk klokvormige bloemkelkjes hebben, eenigzins aen de tamme Porseleine gelyken, en zaedhuisjes met zeer veel zaedjes voortbrengen. De bloempjes van deze plant hebben zelden bloemsteeltjes, de stengels zyn meest vierhoekig. Deze soort van Duivelsmelk is warm en droog van aerd, scherp en bytend van krachten, en aen de koeijen, schapen en andere kruidetende dieren zeer schadelyk, want het minste dat zy daervan eten, kan hun bloedpissingen veroorzaken. De eenvoudigste mensch kan zich daervan wel overtuigen; hy heeft enkelyk dit kruid eenige minuten op het vel te leggen, hy zal welhaest bemerken dat het aenstonds blaesjes trekt, waeruit veel water vloeit en groote pyn veroorzaekt, hetgeen het ook in de maeg der dieren verrigt. Dit kruid wordt in het latyn Peplis, uit het grieksch Peplion genoemd, en in de nederduitsche tael wilde Porseleine geheeten, omdat het langs de aerde kruipt en verspreid ligt als de Porseleine, zoodat dit kruid van sommige landlieden, die er de krachten van kennen, in onze tael liggende Duivelsmelk wordt geheeten. Lobel zegt dat Hippocrates daeraen eerst den naem van Peplion gegeven zou hebben, maer dat het heden meest wilde Porseleine wordt genoemd.

DUIVENKROP, in 't fransch Carnillet, in 't latyn Cucubalus, is onder de 8e klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, der angelierachtige bloemen, met eenen veelbladigen, regelmatigen bloemkrans, door Jussieu onder de familie van de Angelieren, en onder de 10° klasse van Linnaeus, Decandria trigynia, slach van planten die met tien meeldraedjes bloemen en drie stampertjes hebben. Men kent heden zeer veel soorten van die Duivenkroppen, die meest allen in België gevonden worden, maer toch veel van vreemde landen overgebragt zyn en in de bloemhoven gekweekt worden. De algemeene Duivenkrop (Cucubalus catholicus van Linmaeus) is eene langlevende kruidplant van Spaenje en van Italië, die hier in de bloemtuinen in struiken wast, met lansvormige bladen en stengels, die alle jaren uit de wortels spruiten en omtrent 30 centimeters hoog wassen, waerop van juny tot july witte, trosvormige aren bloeijen, met in twee verdeelde bloembladen en lange meeldraedjes. De beziedragende Duivenkrop (Cucubalus bacciferus van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die in België in sommige vochtige bosschen en op drooge plaetsen, in de woeste velden groeit, met getakkelde, verspreide en zwakke stengels, bloeit meest op het einde van juny, met gekleurde, klokvormige bloemkelkjes, in vyf verdeeld, die somtyds bloot en soms wel bekroond zyn; de vrucht verbeeldt eene drooge bezie, die maer één zaedkorreltje inhoudt. De Behen-Duivenkrop (Cucubalus Behen van Linnaeus) is een langlevend kruid van Europa, het groeit meest in de woeste velden, drooge weiden en beemden, omstreeks Antwerpen en de Kempen, met smalle bladen en stengels van omtrent 30 centimeters hoog; bloeit meest in juny, met ronde, gladde, geaderde bloemkelken en vyf witte bloemblaedjes, die gemeenlyk bloote bloemkranjes hebben. De Otites-Duivenkrop (Cucubalus Otites van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van België, die veel in de provinciën Luik, Limburg en elders, op drooge bergen, heiden en woeste plaetsen groeit, en meest in juny bloeit, met witte, lynvormige bloemblaedjes, de bloempjes zyn eenhuizig. De Duivenkrop, die aen de Steenbreek gelykt (Cucabulus savifraga), wordt ook in België, in de Ardennen, omtrent Namen, gevonden. De siberische Duivenkrop (Cucubalus sibericus van Linnaeus); de tartarische Duivenkrop (Cucubalus tatarica), van Rusland, de lymige Duivenkrop (Cucubalus viscosus), van Engeland, de geboorde Duivenkrop (Cucubalus fimbricatus), van den berg Caucasus, met nog veel andere medesoorten worden alhier in de bloemhoven geplant, en kunnen allen door het zaed in de lente vermenigvuldigd en door struikscheiding aengekweekt zyn. Deze planten worden door de nieuwe Kruidbeschryvers onder de

Muerpeper-planten gesteld, die een aendryvend voedsel voor de kruidetende dieren zyn.

DUIZENDBLAD, Gerwel, Hondegerwel, Achilleskruid, in het fransch Mille-feuilles, in 't latyn Achillea, door Tournefort Millefolium ptarmica genoemd, en onder zyne 14° klasse, 3° sectie der Straelbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de trosbloem-dragende planten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmigen, overbodige veelwyvery of overbodige samenhelmigen, de bloempjes van de schyf zyn tweeslachtig, die van den omtrek vrouwelyk; maer beiden geven vruchtbare zaedkorrels; by deze planten zyn vyf meeldraden onderling met hunne helmknopjes samengegroeid.

Het gemeen. Duizendblad (Achillea millefolium van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten in de velden, meerschen, bosschen en beemden wast, met eene groote menigte bladen en zeer veel kleine zydelingsche blaedjes, lynvormig, plat en rondom getand, waeruit in mei stengels spruiten, die omtrent 20 of 25 centimeters hoog groeijen, en meest van july tot in semtember witte vereenigde bloempjes dragen, die eenen zeer aengenamen reuk verspreiden. Men vindt eenige medesoorten, die witte bloempjes met gele of rooskleurige meeldraedjes hebben, en uit het zaed gesproten zyn.

Het Nies-Duizendblad (Achillea ptarmica van Linnaeus) groeit in België veel op drooge plaetsen, in de woeste landen, bergen, bosschen en velden, en bloeit in augusty, met roosachtige witte bloempjes in trosjes vereenigd.

Het Duizendblad met reinvaerbladen (Achillea tenacetifolia van Willdenow) groeit meest in Zwitserland, en wordt veel in België in de kruidhoven om zyne schoone bloemen gekweekt. Het bezilverd. Duizendblad (Achillea argentea) groeit meest in Italië.

Het kleverig Duizendblad (Achillea ageratum) met lansvormige bladen en gele bloemen, groeit meest in het Zuiden van Frankryk.

Het Duizendblad met breede bladen (Achillea macrophylla), met zyne witte bloemen en schoone bloemtrossen, wordt meest in Italië gevonden. Het Duizendblad met vliervormige bladen (Achillea sambucifolia) groeit veel in Oostenryk, Hongariën en andere streken. Het gulden. Duizendblad (Achillea aurea) van Azië, met roodachtige gele bloemtrossen, het egyptisch Duizendblad (Achillea aegyptiaca) van Egypten, met gele bloémirossen, en het schitterend Duizendblad (Achillea speciosa), met zyne schoone gele bloemtrossen, moeten 's winters in de oranjery bevryd worden. Het welriekend. Duizendblad (Achillea odorata) met zyne welriekende bloemen; het edel. Duizendblad (Achillea nobilis); het gezaegd Duizendblad (Achillea serratafolia) en meer andere soorten, die van vreemde landen in België zyn overgevoerd, worden by veel liefhebbers in de bloemhoven geplant, en kunnen door het zaed en wortelscheiding aengekweekt worden. Alle deze kruidplanten zyn om hare deugden in alle landen van over zeer oude tyden wel bekend; zy hebben den naem van Achillea verkregen, omdat, volgens de Fabelkunde, de vermaerde Achilles dit kruid gebruikte om de wonde van Telephes te genezen, sedert dien, als de soldaten in het gevecht of veldslag gekwetst zyn, zoeken zy gewonelyk dit kruid om hunne wonden te genezen. Dit kruid met zyne bladen en bloemen gestooten en op de bloedige wonden gelegd, beschermt die tegen alle verhittingen, zwellingen en zweeringen; het doet die wonden heelen en weldra zuiver genezen. Gestoofd en uitwendig opgelegd, stelpt het den vloed der vrouwen. Het Duizendblad met witte bloemen, dat hier ten alle kanten wast, wordt veel in het bloeijen vergaderd, om 's winters droog te gebruiken: die bloemen met melk gekookt, by tyds en matig gebruikt of als thee gedronken, stelpen de bloed- en koudpis. Geheel dit kruid is matig koud en droog, en heeft eenen samentrekkenden aerd; het sap van het Duizendblad, zegt Clusius, met honig ingenomen, is zeer goed voor degenen die bloed spuwen of eenen ader van binnen gebroken hebben. Lobel heeft ook veel deugden van dit kruid beschreven, en al de bovengemelde krachten bevestigd; hy zegt ook dat het water waerin de Gerwel gezoden is, de wormen verdryft, en dat de wortels in den mond geknauwd, de tandpyn en zeeren genezen.

DUIZENDSCHOON, Vrouwenspiegel, Wilde Klokskens, in het fransch Campanule, in 't latyn Campanula, is door Jussieu onder de familie van het Klokskenskruid gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De Herfst-Duizendschoon (Campanula autumnalis, of Campanula rapunculoides van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België in de bosschen, drooge weiden en op sommige andere plaetsen wast, met smalle, steellooze bladen en stengels van omtrent 30 centimeters hoog, waerop in augusty vyfhoekige bloemknopjes komen, die zich met september openen en met zeer lieflyke blauwe klokskens bloeijen, die eenigzins aen de bloemen van het Halskruid gelyken. Zy worden derhalve meest van de landlieden Blauwe Leliekens genoemd. Men vindt van die Duizendschoonen of Vrouwespiegels eenige medesoorten, die met blauwachtige purpere klokskens bloeijen, en in de heiden der provintie Luxemburg en de gebergten van de Ardennen gevonden worden, maer van gedaente eenigzins aen de Vrouwespiegels met perzikbladen (Campanula persicifolia) gelyken.

Volgens het zeggen van de oude Kruidbeschryvers, heeft dit kruid de krachten van de Gentiana, waervan het door sommigen voor eene medesoort gehouden wordt. Naer het zeggen van de nieuwe Kruidbeschryvers, is het zeer krachtig en goed om alle kwade, pestige, heete en besmettelyke plagen te genezen. Dergelyke krachten vindt men ook door Lobel en Clusius beschreven, maer sommigen zeggen dat dit kruid geene bezondere eigenschappen bezit. Onder alle kruiden die in den herfst bloeijen, doen die blauwe bloempjes zich uitzonderlyk bemerken.

DULLE KERVEL, Scheerlingkruid, Water Scheerling, in het

« VorigeDoorgaan »