Pagina-afbeeldingen
PDF

gesteldheid zeer hoofdzakelyk, en de tyd wanneer zulks geschieden moet, is gedeeltelyk zoodra de druiven ten vollen gebloeid hebben, en gedeeltelyk als zy eene zekere grootte bekomen hebben; ook den geheelen zomer door, kan men de Druifranken naer wille schikken en afsnyden, indien het noodig is. Om dit met zorg te verrigten en schoone rype vruchten te verkrygen, snydt men die doorgaens drie of vier botten boven de druiftrossen, al de onnoodige magere en welige loten wegnemende, om de overblyvende trossen meer voedsel te verschaffen, en dus volkomen ryp te doen worden. Men snydt in augusty ook nog de jonge loten, allen die te welig schieten inknippende, opdat het sap naer het midden der trossen zou dringen. Na het snoeijen moet men de takken en loten wel ordelyk aenbinden en de wisschen niet te sterk spannen, om geene beweging van sap te beletten; de ranken moet men zoodanig schikken, dat zy overal even wyd van elkander geplaetst liggen. Na Sinte Laurensdag schieten de Wyngaerden in ons klimaet niet meer, maer dringen hun sap in de vruchten. De wyn uit de druiven geperst, wordt met mate voor de zieke en gezonde menschen geacht en geheel de wereld door gedronken, behalve van de Mahometanen, die gemeenlyk hunne druiven droogen en nadien eten, en ook veel naer vreemde landen verzenden. Van den gemeenen wyn wordt in vele streken van Frankryk en elders brandewyn en veel andere geestryke dranken gemaekt. Men kan ook de druiven versch tot in february behouden, met enkelyk de rype trossen, in eene drooge matige plaets, aen draedjes te hangen, mits by tyds op iederen trossteel een versche bezië te steken, waervan het sap wel in den tros dringt, hetgeen den verschen rypen smaek van die vruchten doet behouden, alsof zy maer van de ranken waren gesneden. De Wyngaerd-ranken moeten in onze landen in den herfst of vroeg in de lente verplant zyn, en op vier of vyf botten ingekort worden, want als men die later in de lente plant, vloeijen zy en verliezen haer sap, hetgene de groeikracht veel hindert. Ik denk over den Wyngaerd niet meer te moeten zeggen, dewyl men daerover een geheel boekdeel zou kunnen schryven, om al de wyzen van kweeken, snyden, enz., en de nuttige deugden die de wynen inhouden, kenbaer te maken. Ik heb ten andere maer voor ons klimaet geschreven, want in de warme landen worden de wyngaerden op eene geheel andere wyze, zonder veel zorg gekweekt, en ten alle kanten in de velden, bergen, valleijen, enz., geplant, waer zy door de natuerlyke warmte der luchtgesteldheid, hunne rypheid gemakkelyk verkrygen.

DRUIVENKRUID, Druifoogen, in 't fransch Botrys, Millegraines, in 't latyn Chenopodium botrys, is door Jussieu onder de familie van de Melde en Ganzevoet gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf meeldraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben.

Het Druivenkruid (Chenopodium botrys van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Zuid-Frankryk, welke in België in de moes- en kruidhoven wordt gezaeid, en groeit met lange, gebogene bladen en stengen van omtrent 35 of 40 centimeters hoog, op welker takjes zeer veel druifwyze geschikte zaedjes byeen verzameld groeijen, die, als zy ryp worden, een geel kleur verkrygen.

Dit kruid heeft in zyne jeugd eenen lieflyken, aengenamen reuk, en is geheel met eene gomachtige, taeie vochtigheid bedekt, die aen de handen kleeft. Het wast natuerlyk in Italië in de velden, en wordt hier om zyn nuttige deugden in de kruidhoven gezaeid. Volgens de oude en nieuwe Kruidbeschryvers is het zeer goed voor de aèmborstige menschen, die etterachtige fluimen uitspuwen en kort van adem zyn. Ch. Clusius, die in Italië dit kruid heeft gevonden, zegt dat het voor de terende ziekten zeer nuttig is, dat het de maendstonden verwekt en de nageboorte afdryft; het wordt tegen die gebreken met Zoethout gekookt en als verkoeldrank ingenomen, of ook met wyn bereid. Dit kruid wordt veel in Italië het vleeschsap gekookt en als moeskruid in de huishoudens geëten. De bladen worden met de stengen gedroogd en als poeijer voor de longerziekte gebruikt: sommigen noemen dit kruid ook Ganzevoeten, omdat het door Linnaeus onder de klasse en soort der Ganzevoeten gesteld wordt.

DRYANDERKRUID, in 't fransch Dryander, in 't latyn Dryandra, is door Jussieu onder de familie van de Wolfsmelkplanten gesteld, en onder de 16e klasse van Linnaeus, Monadelphia decandria, eenbroederigen, wier helmdraden zyn samengegroeid; zy hebben een veranderlyk getal meeldraden, welke met de stampertjes tot één lichaem zyn vereenigd. Het hartvormig Dryanderkruid (Dryandra cordata van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Japan, die sedert verscheidene jaren in België is overgevoerd, en by de bloemisten te Gent, in de matige serren, om hare schoone bloemen wordt gekweekt; zy bloeit, volgens de warmte die men er aen toebrengt, van in april, met twee groote bloembladen in de kelken en vyf bloembladen in de kransen, die een lieflyk kleur hebben, deze bloemen schynen eenhuizig (dioecia) te zyn. De Dryandra calophylla van Rob. Brown, is eene langlevende kruidplant van Nieuw-Holland, die hier voor de eerste mael in 1844, in den Casino te Gent, door Alex. Verschaffelt ten toon werd gesteld. Onze byzonderste hoveniers hebben, in 1843, van de Indiën de volgende soorten van die schoone bloemplanten verkregen : Den Dryandra cuneata, D. Drummondii, D. salcata, D. floribunda, D. formosa, D. fragerii, D. longifolia, D. nervosa, D. nivea, D. plumosa, D. vera. De drie volgende soorten heeft men, sedert 1845, van de Indiën bekomen : den Dryandra speciosa nova, D. tenuifolia en den Dryandra serratifolia, welke uitmuntende schoone bloemgewassen men by onze bloemisten kan verkrygen. Deze planten, die van een warmere luchtgesteldheid dan ons klimaet voortkomen, moeten 's winters in de matige serren of goede oranjehuizen worden bevryd, en kunnen door het ryp zaed, in den heigrond, op teilen of lauwe broeibakken, vermenigvuldigd en door afzetsels en inleggers, in potten onder het glas, op warme belommerde plaetsen aengekweekt worden. De nuttige krachten van deze planten zyn my niet bekend.

DUIVELSBEET, Wolfsmelk, in 't fransch Euphorbe, Mors du Diable, in 't latyn Euphorbia, is onder de familie van de Wolfsmelk-planten gesteld, en onder de 11° klasse van Linnaeus, Dodecandria trigynia, slach van planten welke van twaelf tot twintig meeldraden en drie stampertjes hebben. De Duivelsbeet (Euphorbia peplus van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten in de velden, bebouwde landen en moeshoven groeit, met zwakke kleine stengels, van omtrent 10 of 15 centimeters hoog, en bleekgroene, eironde blaedjes, bloeit van in mei tot het einde van juny, met bleekgroene geelachtige bloempjes, op de bloemsteeltjes vereenigd, die gemeenlyk kroonwyze geschikt zyn. Deze Duivelsbeet bezit dezelfde krachten als de Wolfsmelk, en heeft een inbytend sap dat zeer brandend is en de handen en vingers der wiedsters, als zy die uittrekken, met vlekken verbrandt en op het bloot vel bleinen en brandpuisten veroorzaekt : zy wordt daerom van de gemeene landslieden en sommige oude Kruidbeschryvers Duivelsbeet genoemd, maer de opregte Duivelsbeet, die voordezen als zoodanig was bekend, tot dat Linnaeus die onder het Schurftkruid stelde, is de volgende soort.

DUIVELSBEET, Schurftkruid, in 't fransch Scabieuse, Mors du Diable, in 't latyn Scabiosa succisa, is onder de 12e klasse, 5° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de Kaerdendistels, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De Duivelsbeet (Scabiosa succisa van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa; zy groeit in België in de bosschen, vochtige meerschen, weiden, enz., met lansvormige, ronde, breede, getande bladen, die eenigzins aen de smalle Wegbree gelyken, maer toch zoo niet geribd zyn, en waeruit in mei stengels spruiten, die omtrent 30 centimeters hoog wassen, van boven in drie of vier takjes verdeeld, waerop eerst in het midden alleen roodachtige bollekens komen en met den zomer blauwachlige purpere bloemen tot in augusty bloeijen, die zeer lieflyk zyn. Deze plant wordt van de oude en sommige nieuwe Kruidkundigen Duivelsbeet (Scabiosa morsus Diaboli) genoemd, omdat de wortels van onder kort afgebeten schynen te wezen. Geheel dit gewas is bitter van smaek, heet en droog tot in den tweeden graed, en zeer nuttig om de gezwellen en ontstekingen van de keel te genezen, als men met het water, waerin dit kruid gekookt is, den mond spoelt en de keel gorgelt, verdryft het alle slymachtige vochten, die in de keel blyven stroppen of hangen, bezonderlyk als men er een weinig honig by doet. Men zegt dat de Duivelsbeet kan doen al hetgeen aen het Schurftkruid toegeschreven wordt, zy is zeer dienstig tegen de beten der vergiftige dieren, voor alle heete, pestige gezwellen en bloedzweren, wordt dit kruid gestooten en op de zeeren gelegd of ook in poeijers gebruikt. De wortels met het kruid in den wyn gezoden en daervan gedronken, is zeer voordeelig om de smerten der moeder te verzachten. De wortels of kruid gestooten zyn goed om op de blauwgeslagene plaetsen te leggen, dit doet het geronnen bloed scheiden, en geneest ook de pestilente klieren en kropgezwellen. De oorzaek waerom de gemeene man dit gewas Duivelsbeet genoemd heeft, is dat sommige droomers of ligtgeloovigen zeggen, dat de duivel de wortels van dit kruid plagt af te byten, omdat hy het goed benydde dat de menschen met dezelve zouden kunnen doen, waren die geheel gebleven, daer hy weet dat zy tot veel dingen aen de menschen nuttig zyn. Dit kruid, dat alhier in 't wilde groeit, wordt veel om zyne deugden in de kruidhoven gekweekt, en kan door wortelscheiding en door het zaed vermenigvuldigd worden.

DUIVELSMELK, Wolfsmelk, wilde Porseleine, in 't fransch Esule, Reveille-matin, in 't latyn Peplis, van Tournefort Glauw genoemd, door Jussieu onder de familie van de Wederik gesteld, en onder de 6e klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, slach van planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De Duivelsmelk of wilde Porseleine (Peplis portulaca van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België

« VorigeDoorgaan »