Pagina-afbeeldingen
PDF

in de provintie Luik, aen de Maes, en in Duitschland, aen den Rhyn, met lange bladen en dunne stengen, die zeer taei zyn, en droog veel worden gebruikt om matten te maken en stoelen, zetels en ander huisgerief mede te vlechten. De dons van deze planten wordt in sommige landstreken 's winters vergaderd, om kussens en bedding mede te vullen. De zachte, wolachtige dons van deze Lischdodden, met zoet gesmolten verkenssmeer, is zeer dienstig om de verbrandheid te genezen, op de bloedige wonden gelegd, doet dit het bloed weldra stelpen; het schynt dat dit een oud geneesmiddel is, dewyl men het ook in Dodonaeus Kruidboek en door Lobel beschreven vindt.

DOORNAPPEL, Steekappel, Vergiftappel, in 't fransch Pomme épineuse, Stramoine, in 't latyn Datura, door Tournefort Stramonium genoemd, en onder zyne 2e klasse, 1° sectie gesteld, der trechtervormige bloemplanten, door Jussieu onder de familie van de Nachtschade, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraden bloemen en maer een stampertje hebben. - De gewoone Doornappel (Datura stramonium van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Amerika, die in Europa sedert verscheidene eeuwen is overgebragt en alhier ten alle kanten in de bloemtuinen is verspreid, daer het zaed door de vogelen verdragen wordt, in de hoven waer zy eens gezaeid is, zal men ze wel tien jaren lang in de lente zien uitspruiten, zy groeit met dikke, getakkelde stengels, omtrent 60 of 70 centimeters hoog, met groote, donkergroene, eivormige bladen, waerop van augusty tot in september, witte, éénbladige, trechtervormige bloemen bloeijen, die eenen zoetriekenden geur, byna als Muscus, inhouden en zeer gevaerlyk zyn; als men de groene bladen tusschen de vingers wryft, komt er eenen stinkenden vuilen geur uit, die aenstonds duizelingen in het hoofd veroorzaekt. Het zaed van deze plant, dat op het einde van september in de vruchten gevonden wordt, is, volgens den heer Orsila en verscheidene andere geneesheeren, een zeer geweldig slaepverwekkend middel, dat een zeer gevaerlyk en doodelyk vergift inhoudt: een halve gramme of een half lootje daervan ingenomen, brengt den mensch spoedig ter dood, tenzy men dezen die daervan ingenomen hebben, terstond veel botermelk of bier te drinken geeft. Men ziet de kiekens, als zy van dit zaed geëten hebben, in bezwyming vallen en de vogelen daervan sterven. Men vindt nog in België verscheidene soorten van die éénjarige zaeiplanten, zoo als den Datura feroa van China, den Datura fastuosa van Egypten; den Datura metel van Azië, den Datura laevis van Afrika, en den Datura tatula van Linnaeus, die in België op sommige plaetsen in de velden groeit, en meest op het einde van july blauwe, klokvormige bloemen draegt. Men heeft door het zaed verscheidene medesoorten of varieteiten verkregen, waeraen de bloemisten verschillige benamingen hebben gegeven. Men heeft ook in België den Steekappelboom (Datura arborea van Linnaeus), een langlevend houtgewas van Peru, dat met eenen tamelyk dikken, getakkelden slam en breede bladen, in Peru, en elders in de warme landen van Amerika, groeit, maer alhier toch heesterachtig blyft, bloeit dikwils in de matige serren in de lente, en somtyds ook in den herfst, met witte, éénbladige, trechtervormige bloemen, die eenen zoeten geur inhouden, en groote, gladde zaedvruchten, met bolsters zonder stekels voortbrengen. De aenkweeking van dit houtgewas kan door het zaed in de oranjehuizen, en door afzetsels en inleggers, op lauwe broeibakken, gedaen worden.

DOORNBOOM, Haegdoorn, Berg-Forbenboom, Witten Doornboom, in 't fransch Alizier, Epine, Aubépine, in 't latyn Crataegus, is onder de 21° klasse,8" sectie der veelbladige, roosvormige bloemkransen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten, en onder de 12e klasse van Linnaeus, Icosandria digynia, slach van boomen die met twintig en meer helmstyltjes bloemen, twee stampertjes hebben en beziën met twee korreltjes voortbrengen.

De witte Haegdoorn (Crataegus torminalis), waervan men in België veel hagen en boomen vindt, groeit met hartvormige, zevenhoekige bladen, en bloeit meest in mei, met zeer veel witte bloemen, die eenen aengenamen zoeten reuk verspreiden, en veel beziën voortbrengen, die met october een schoon rood kleur verkrygen, en nadat de bladen afgevallen zyn, de boomen nog zeer lieflyk versieren. Men kan deze planten door het korrelzaed in de lente vroeg zaeijen, en na drie jaren verplanten, met enkelyk by het uitdelven de wortels aen het bovenste einde bloot te laten, die jonge uitloopers schieten, en alzoowel drie dubbel vermenigvuldigen, De gemeene Haegdoorn (Crataegus oxyacantha) groeit in België in de bosschen, en wordt ook in hagen geplant; hy wast heesterwyze, zeer getakkeld, met stompe, in drie verdeelde, zaegwyze bladen, en bloeit meest in mei, met witte bloemen. Men vindt verscheidene medesoorten, met witte dubbele en met roodachtige bloemen, en andere met witte bonte bladen. De ongedoornde Haegdoorn (Crataegus inermis) is een klein heestergewas; het groeit in de zuidelyke deelen van België, in Duitschland, Zweden, Engeland en elders in de gebergten, met langronde, getande, dwars uitgehoekte bladen, die van onder gewold zyn, en bloeit meest in mei, met witte bloemen. De alpische Haegdoorn (Crataegus alpina) groeit in de gebergten van de Ardennen, Zwitserland, Italië en elders, wel omtrent 4 meters hoog, getakkeld, met langwerpige, eironde, getande, groene bladen, bloeit in mei, met witte bloemen. De roode Haegdoorn (Crataegus coccinea) is een langlevend klein boomgewas van Virginië, dat in België veel in de lusthoven wordt geplant, en groeit met eironde, hoekige, getande, gladde bladen, bloeit van mei tot in juny, met roodachtige witgevlekte bloemen, die hoog-roodkleurige vruchten voortbrengen. De hanenspoorige Haegdoorn (Crataegus crus-galli van Willdenow) is een langlevend klein boomgewas van Virginië, het groeit alhier in de lusthoven, omtrent 3 meters hoog, met lansvormige, eironde, gelande, gladde bladen en zeer gedoornde takken, die als hanenspooren wassen, bloeit meest in juny, met witte bloemen, die roodachtige meeldraedjes hebben. De glimmende Haegdoorn (Crataegus lucida) is een klein boom

BIBL. UTNiV.
GENT

gewas van Noord-Amerika, dat hier in de lusttuinen wordt geplant, en groeit met lansvormige, getande, glanzige bladen en zeer lange doorns, bloeit meest in juny, met tuiltjes en witte bloemen, die in october hoogroode vruchten voortbrengen.

De peerbladige Haegdoorn (Crataegus pyrifolia) is een heesterhoutgewas van Amerika, dat ook in sommige lusthoven wordt geplant, en groeit met ovale, stompe, naer boven getande, gladde bladen en eironde vruchten.

Eindelyk heeft men nog in België den zoeten Haegdoorn (Crataegus dulcis), met zoete vruchten, die aengenaem en zeer smakelyk zyn; den wolligen Haegdoorn (Crataegus tomentosa), van Amerika, die gele vruchten voortbrengt, welke van gedaente aen kleine Mispelen gelyken; den gestippelden Haegdoorn (Crataegus punctata van Willdenow), den Crataegus cordata, den C. parvifolia, den C. solicifolia, ongedoornd met wilgebladen, en meer andere nieuwe soorten van Amerika, met den Azarolboom (Crataegus azarolus) van Italië en Zuid-Frankryk, die zoete vruchten geeft, welke allen in de lusthoven van België worden geplant, en in alle losse, vette, vochtige en drooge gronden wel willen aerden. De aenkweeking of vermenigvulding kan door het korrelzaed, vroeg in de lente, en door inlegging of enting op den gemeenen Haegdoorn, gebeuren.

Het hout is wit, zeer hard, vast en taei, en wordt veel geacht tot allerlei timmer- en draeiwerk, voor molens, raden, enz., te maken. De beziën van den gemeenen Haegdoorn hebben eene doorsnydende en samentrekkende kracht; de binnenste korrels van deze vruchten, fyn in poeijer gestampt en met eenigen drank ingenomen, breken den steen en graveel, en dryven die uit de nieren en blaes, inzonderlyk als zy op goeden brandewyn eenigen tyd te weeken hebben gestaen. De rype beziën worden in vele landen met suiker geconfyt, en als een stoppend middel voor den buikloop en vloeden gebruikt.

DOOVE NETEL, Doodenetel, Melknetel, Wittenetel, in't fransch Lamier, Ortie morte, in 't latyn Lamium, is onder de 4e klasse, 2" sectie der mondvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten, en onder de 14° klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en maekt zaed dragen. De witte Doovenetel (Lamium alba van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten aen de hagen, wegen en elders groeit, met stengels van omtrent 20 of 30 centimeters hoog, en hartvormige, getande en gezaegde bladen, bloeit alhier van mei tot in juny, met witte, lipvormige bloemen, van boven ringwyze aen de stengen geschikt. De purperachtige Doovenetel (Lamium purpureum van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van België, die meest in de bebouwde landen en elders groeit, in struikjes, met leege stengen, waerop van mei tot in juny lieflyke, roodachtige, purpere, hellende bloempjes bloeijen. De stengomvattende Doovenetel (Lamium amplevicaule van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van België, die ten alle kanten in de velden groeit, met leege stengels en steellooze bladen, bloeit byna geheel de lente met roode bloempjes. Men vindt in België veel medesoorten, die door het zaed veranderen, zoo als de gevlekte (Lamium maculatum) en de gewolde (Lamium hirsutum), die met witte roodgevlekte meelknopjes in de bloempjes bloeijen, en aen de wegen en bosschen groeijen. De Orvale-Doovenetel (Lamium Orvala van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Italië, die in België veel in de bloemhoven wordt geplant en in struiken groeit, met leege stengels en gevlekte, eironde bladen, waerop van in de lente tot in den zomer, zeer veel lieflyke roodachtige rooze- en witgevlekte bloempjes bloeijen, die de bloemtuinen zeer schoon versieren. De Doovenetel van den berg Gargano (Lamium garnanicum) is eene kleine levende kruidplant van Italië en het Zuiden van Frankryk, die ook in België om hare schoone bloempjes in de kruidhoven wordt gekweekt, maer in gedaente weinig van de voormelde verschilt. Deze planten kunnen door het zaed, waeruit men dikwils medesoorten bekomt, en door struikscheiding vermenigvuldigd worden.

« VorigeDoorgaan »