Pagina-afbeeldingen
PDF

Deze heester-houtgewassen, die in ons klimaet toch niet groot groeijen, kunnen door afzetsels en inleggers aengekweekt en door het ryp zaed op lauwe broeibakken vermenigvuldigd worden. De zaeijelingen, voort in potten verplant, moeten de drie eerste jaren in de oranjehuizen verblyven. Deze schoone gewassen zyn door Linnaeus aen onzen wydvermaerden landgenoot Rembert Dodoens opgedragen, en hebben den naem van dezen zoo hoogberoemden Belg verkregen.

DOLYK, Muizenkoorn, in 't fransch Ivraie, in 't latyn Lolium, door Tournefort Gramen genoemd, door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld, en onder de 3e klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraedjes

bloeijen en twee stampertjes hebben.

De overblyvende Dolyk of Muizenkoorn (Lolium perenne van Linnaeus) is eene langlevende grasplant, die in België ten alle kanten in de velden, meerschen en beemden groeit, in struiken, met lange, scherpe bladen, en stengels waerop in juny aren bloeijen die trosvormig zyn geschikt, met kafvliezen die zeer veel zaedjes voortbrengen. De smalle Dolyk (Lolium tenue van Linnaeus) is eene langlevende grasplant, die alhier in de drooge weiden en velden groeit. De Veld-Dolyk (Lolium temulentum) is eene grasplant, die op de wyze van het koorn maer één jaer het leven behoudt, en meest in de bebouwde velden groeit, onder de rogge, tarwe en elders waer de Dravik gemeenlyk wast. Byna in gansch België plagt men door Dolyk geen ander kruid te verstaen, dan hetgeen wy gewonelyk Dravik noemen; derhalve hebben ook veel persoonen de krachten van dit grasachtig gewas voor die van den Dravik gehouden, daer zy nogtans daermede veel verschillen. Het meel van het Dolykzaed, met Radyswortels gemengd en op de wonden gelegd, houdt de voortetende zweringen en alle vervuilde, kwade, kankerachtige zeerigheden tegen, met sulfer en azyn gemengd, geneest het 't wildvuer en de onzuiverheid van het vel; met honig en azyn gezoden en als pap op het fierecyn of sciatica gelegd, doet het de pyn verzachten, maer dit meel inwendig genomen, ontstelt de hersenen en verduistert de oogen : nogtans in diere tyden en by gebrek van leeftocht wordt het in het brood gebakken. Sommigen zeggen dat door het bakken al zyne nadeelen verdwynen, maer dat het echter zeer weinig voedsel bezit.

DONDERBAERD, Huiswortel, Huislook, in 't fransch Joubarbe, in 't latyn Sempervivum, door Tournefort Sedum genoemd, door Jussieu onder de familie van den Huislook en Hemelsleutel gesteld, en onder de 11e klasse van Linnaeus, Dodecandria dodecagynia, planten welke van twaelf tot twintig helmstyltjes of meeldraden en twaelf stampertjes hebben. De gemeene Donderbaerd of Huiswortel (Sempervivum tectorum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa; zy groeit in België, met altoosblyvende, dikke, groene, vette bladen, en boorden met fyne haertjes gerand, waeruit in juny stengels spruiten, die omtrent 16 centimeters hoog wassen, bloeit meest in july, met trosjes en zeer lieflyke roodachtig gevlekte bloempjes, die eenen aengenamen geur verspreiden. Deze plant, die van alle boerenlieden om hare deugden is bekend, wordt meest op de huizen, muren, dakken en ook in de bloemhoven gekweekt en door struikscheiding vermenigvuldigd. Zy is warm en droog van aerd tot in den derden graed. De bolvormige Donderbaerd (Sempervivum globiferum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Oostenryk. De Donberbaerd die aen de Sedum gelykt (Sempervivum sediforme van Jacq.), is een houtachtig kruidgewas van ZuidEuropa. - De spinnewebachtige Donderbaerd (Sempervivum arachnoideum) is een langlevend kruid, dat meest in de Alpische gebergten groeit. De Berg-Donderbaerd (Sempervivum montanum) groeit meest in de gebergten van Zwitserland. Men heeft alhier nog de volgende soorten verkregen : den boomachtigen Donderbaerd (Sempervivum arboreum), van Portugael; den lymerigen Donderbaerd (Sempervivum glutinosum), van Madera, en den Sempervivum canariense. Al deze soorten vindt men in den kruidhof van de Hoogeschool te Gent, door de zorg van den heer Donkelaar verzameld, waervan de eerstgemelde door hare deugden uitmunt. Deze wordt bezonderlyk geacht voor de vurige puisten, gezwellen, zinkingen en ontstekingen te genezen. Het sap uit de bladen geperst en op fyne linnen doekskens dikwils ververscht, is een der beste middelen om op de speen te leggen, daer het allen vurigen brand verdryft en doet genezen. De bladen gepeld en in azyn of wyn geweekt, zyn zeer dienstig om den mond te ververschen tegen dat de heete koortsen aenkomen, zy verdryven den brand uit de keel en mond van de zieken. Die bladen in den azyn geweekt en dan in den mond gehouden, als men in huizen verkeert waer eene kwade ziekte heerscht, zyn een waer behoedmiddel. Het sap uit de bladen op het voorhoofd gelegd, stelpt de pyn des hoofds en doet de vurigheid uit de roode loopende oogen verdwynen. Men vindt de nuttige deugden van deze bekende plant in alle nieuwe en oude medecynboeken beschreven; de Gazette de Sante maekt er ook eene gunstige melding van.

DONDERKRUID, Donderbloem, Muggekruid, Donderboom, in 't fransch Conyze, in 't latyn Conyza, is onder de 12° klasse, 2 sectie, der pypbloemige planten van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de trosbloem-dragende planten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmigen, overbodige veelwyvery. De bloempjes van de schyf zyn tweeslachtig, die van den omtrek vrouwelyk, maer beiden geven vruchtbare zaedkorrels. Men vindt heden verscheidene soorten van dit Muggekruid en Donderbloemen, waervan sommige aen België eigen zyn, en andere van de Indiën alhier zyn overgevoerd. De lymachtige Donderboom (Conyza glutinosa van Jac.) is een langlevend boomgewas van het Ile-de-France, het groeit alhier met eenen lymachtigen, getakkelden stam, en blinkende, lansvormige bladen, bloeit meest van het einde van july tot in september, met trosvormige, gele bloemen en gestraelde bloemkransjes, die zeer lieflyk zyn. De Balsem-Donderboom (Conyza balsamifera van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van de Oost-Indiën, dat in België by sommige liefhebbers van vreemde gewassen in de serren wordt gekweekt, het is uit dezen boom dat men in de Indiën den goeden vernis trekt, die naer Europa gezonden wordt, om de schilderyen te vernissen en er een levendig kleur aen te geven. Het rappig Donderkruid of Muggekruid (Conyza squarrosa van Linnaeus) is maer eene tweejarige kruidplant van Europa, welke veel in België op drooge plaetsen en aen de zeeduinen, tusschen Ostende en Veurne, groeit, met kruidachtige stengels en lansvormige, puntige bladen, bloeit meest in july, met trosjes en gele bloemen, die oneffene bloemkelkjes hebben; men vindt er eenige medesoorten van, die ook in de Kempen en omstreeks Antwerpen groeijen. Het Steen-Donderkruid (Conyza sawatillis van Linnaeus) groeit meest in Italië, Oostenryk, Rusland en aen de duinen van de Zwarte Zee, het wast aldaer tamelyk hoog, maer blyft alhier heesterachtig, en moet 's winters in de oranjehuizen worden bevryd. Het rappig Donderkruid of Muggekruid (Conyza squarrosa) is alhier om zyne deugden van over zeer oude tyden bekend; dit kruid met wyn gedronken, zegt Boerhaave en sommige andere Kruidbeschryvers, verwekt de maendstonden; de bladen met azyn ingenomen, zyn goed om de vallende ziekte te verhelpen, die bladen met water gestoofd en opgelegd, genezen de gebreken van de moeder. Gelyk dit kruid, in zyne jeugd geplukt, eenen stinkenden reuk bezit, doodt het de muggen, en als men dit in de huizen of bedsteden legt, doodt het de vlooijen, en doet alle andere ongedierten vlugten. Clusius schryft dat dit kruid op de hoopen koorn gelegd, de kalanders doet vlugten, hetgeen ik eenen landbouwer heb aengeraden, die my verzekerd heeft er eenen goeden uitslag door bekomen te hebben; zelfs de ryst-kalanders vlugten van dit kruid. De bevruchte vrouwen mogen dit kruid geenzins gebruiken; want het kan haer doen misvallen. De Muggekruiden zyn aen de schapen, geiten en koeijen zeer hinderlyk : men ziet gewoonlyk de kruidetende dieren zich van de plaetsen verwyderen, waer dit kruid veel groeit, zonder het aen te raken.

De Donderboomen, die in de serren en oranjehuizen worden gekweekt, kunnen door het zaed, inleggers en afzetsels, in den heigrond op lauwe broeikakken, in potten, op lommerige plaetsen, aengekweekt worden, maer moeten de twee eerste jaren in de oranjehuizen verblyven.

DONZEN, Wallisch, Dodden, in 't fransch Massette, in 't latyn Typha, is onder de 15° klasse, 5° sectie van Tournefort gesteld, der bloembladlooze planten, wier bloemen geenen eigenlyken bloemkrans hebben; door Jussieu onder de familie van het Watermos, en onder de 21e klasse van Linnaeus, Monoecia triandria, eenhuizigen met drie helmstyltjes; er zyn mannelyke en vrouwelyke bloemen, welke op ééne en dezelfde plant of steng aengetroffen worden. De Donze met breede bladen (Typha latifolia van Linnaeus) is een langlevend lischachtig gewas van Europa, dat ten alle kanten in Vlaenderen, Antwerpen en elders in België, in de vyvers, staende waters, poelen en beken groeit, met lange, breede, driekantige bladen, waeruit gemeenlyk met de lente twee of drie regte, gladde, effene, kale stengen, zonder knoopen, spruiten, die eerst op de toppen dunne aren, welke groenachtige moskleurige bloempjes verbeelden, en vervolgens donkergrauwe dodders voortbrengen, die omtrent 3 of 4 centimeters dikte en 10 of 12 centimeters lengte hebben, zich met september het schoonst en volmaektst toonen, en met den winter als zwart stof worden, dat door den wind wegvliegt en op het water ten alle kanten dryft. De Donze met smalle bladen (Typha angustifolia van Linnaeus) groeit veel in Vlaenderen, Zeeland, Holland en elders, in de poelen, staende en loopende waters, en verschilt van de voorgaende enkelyk door hare bladen, die smaller zyn en tot boven de stengen groeijen. De kleine Donze (Typha minima van Willdenow) groeit meest

« VorigeDoorgaan »