Pagina-afbeeldingen
PDF

gewassen onder de assche gebraden, en schynen alsdan eenen goeden smaek te hebben, voor de Mexikanen is het eene eenvoudige, gezonde en versterkende spys. Onder de assche gebraden, verliest het gewas een achtste van zyne gedaente, de uiterste schil scheidt zich alsdan gemakkelyk van het vleezig gedeelte af, en dit laetste verkrygt eenen suikerachtigen smaek. In het water bereid, dient dit aerdgewas 1 1/2 uer te koken, alsdan behoudt hetzelve zyne gedaente, en neemt eenen slym-suikerachtigen smaek, die deze spys ten uiterste eetlust-verwekkend maekt. In kleine schyven gesneden en in boter bruin gebraden of met eene witte saus toebereid, is de Dahlia-wortel beter dan de Schorsoneel, als toekruid met Salade gebruikt, doet hy aen den smaek der Cichorei gedenken. Uit de wortels (tubercules) wordt eene witte zelfstandigheid gewonnen, die men gemeenlyk Dahline noemt en in de kwynende ziekten voorgeschreven wordt. Uit de bloembladen wordt een paersachtig kleur getrokken, dat men by middel van het zuer (acide), tot het rood, door het loogzout (alcoli), tot het groen, en door eene geheel zwakke oplossing van deze twee stoffen, tot het blauw doet overgaen.

Meer dan 1500 nieuwe soorten zyn sedert eenige jaren in België uit het zaed gewonnen, waervan men de namen op de bloemlysten van onze behendige kweekers aengeteekend vindt, liefhebbers welke wenschen van deze Dahlias te bekomen, behoeven zich maer tot de bloemisten te wenden, die heden in alle steden van geheel ons koningryk zyn verspreid en die men zelfs te lande in veel dorpen vindt, by wie men vele soorten van die sierlyke bloemen bewondert. Maer de Dahliabloem is niet standvastig; zy verloopt zeer sterk, en men heeft er dikwils gezien die in de tentoonstellingen de eerste pryzen wegdroegen, en het jaer nadien enkel geworden zyn.

DAIS, in 't fransch Dais, in 't latyn Dais, is door Jussieu onder de familie van den Misereboom gesteld, en onder de 10° klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, tienhelmigen, planten die met tien meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De Daïs met bladen van het geel verwhout (Dais cotinifolia) is een langlevend heester-houlgewas van de Kaep, het groeit met eenen zeer getakkelden stam, omtrent 3 meters hoog; bloeit meest van july tot in augusty, met bloemruikers en zeer veel witte, purperachtige, kroonwyze geschikte bloempjes, die vier bloemblaedjes in de kelken en kransje hebben, en beziën met een kerntje voortbrengen, welke met eene schoone schors bedekt zyn. De Daïs met laurierbladen (Dais laurifolia) is een struik-houtgewas van de Kaep, dat in zyne houding van bloemen, vruchten en zaden met den voormelden zeer veel overeenkomt, maer de bladen gelyken aen die van den Laurierboom en de bloemen zyn witter. De Dais dubiosa is een langlevend heester-houtgewas van Java, dat in 1843, door den heer Von Siebold, in Europa is overgebragt, en onder de verzameling van nieuwe planten van dien heer, in 1844, in de Casino te Gent werd ten toon gesteld. Deze lieflyke houtgewassen kunnen door uitloopers en afzetsels in den heigrond, op lauwe broeibakken, onder het glas, vermenigvuldigd, en moeten in de matige serren of in de oranjehuizen gekweekt worden. Wy hebben meer dan eens gelegenheid gehad te gewagen van de nederlandsche kruidkenners en bloemkweekers, en bragten aen verscheidenen de hun verschuldigde hulde toe. Onder deze kundige mannen verdient voor zeker de heer Von Siebold eene hoogstvereerende melding, want de planten die hy van zyne reizen uit Japan, Java, Oost- en West-Indiën naer Europa bragt, verheffen den glans der tentoonstellingen door hare verhevene schoonheid, en maken te samen de hoofdkern uit eener verzameling van vreemde nieuwe gewassen, die, over het geheel genomen, een gunstig denkbeeld van zyne hooge kennis geven. Als wy den Catalogus van al zyne planten in acht nemen, moeten wy hem den allereersten lof toezwaeijen.

DAMASTBLOEM, Nachtviolier, Matriole, Avondzoete, in het fransch Julienne, in 't latyn Hesperis, is onder de 5e klasse, 4° sectie van Tournefort gesteld, der Kruisbloemen die met eenen veelbladigen, regelmatigen bloemkrans bloemen, door Jussieu onder de familie van de kruisdragende bloemplanten, en onder de 15° klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermagtigen, planten welke zes meeldraden hebben, waervan vier altyd langer dan de beide overigen zyn, en hauwtjes of peulvruchten voortbrengen. De Hof-Damastbloem (Hesperis matronalis van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Duitschland en Zwitserland, die in België in de bloemtuinen wordt gezaeid, en groeit met lange, eivormige bladen aen de wortels, waertusschen stengels uitspruiten, die omtrent 30 centimeters hoog wassen, bloeit van mei tot in july, met aervormige trosjes en zeer schoone, dubbele, breede bloemen, die eenen zeer aengenamen reuk verspreiden. Men vindt er medesoorten van met lieflyke dubbele witte en violetkleurige bloemen, die men door het zaed van de enkele witte en violette verkrygt. Deze schoone planten, met hare dubbele bloemen, verdienen in onze bloemhoven meer gekweekt te worden, en kunnen door afzetsels alle jaren in augusty, na het bloeijen, ingelegd worden, maer zy begeren van natuer eenen vetten, zwaren grond, want in zandachtige aerde geplant willen zy niet aerden; men moet ook op tyds zorgen die planten met water, waerin snuif geweekt is, te besproeijen, om de slekken en wormen er van te verwyderen, die, door den zoeten smaek van de bladen en stengels uitgelokt, die planten dikwils hinderen en doen SterVen. De gele Nachtviolier (Hesperis liniferia van Desfontaines) is eene langlevende kruidplant van Spaenje, die in België en Frankryk in het wilde groeit, met breede, lansvormige, donkergroene bladen, en stengels van omtrent 35 centimeters hoog; zy bloeit meest van juny tot in july, met enkele, gele, kruisvormige bloemen, waervan men door het zaed een soort met dubbele gele bloemen verkregen heeft, die gele dubbele matriolen worden genoemd, en nog zeer zeldzaem verspreid zyn. De Hesperis chia van Desfontaines, van de Oost-Indiën, en de Hesperis lara van Lamarck, van Tartariën, zyn tweejarige kruidplanten, die alle jaren in de lente in de bloemhoven worden gezaeid, en bloeijen van juny tot in augusty, met zeer lieflyke witte, - gele, rooskleurige en andere bloemen, die zeer sierlyk zyn. De treurige Nachtviolier (Hesperis tristis) van Hongariën, wordt ook in de bloemtuinen gezaeid. Deze planten bezitten een vlug loogzout, hetwelk er uit getrokken wordt; er is byna geene kunst noodig om het te voorschyn te doen komen, in de gedroogde planten verdwynt het, waerom men in de medecynen altoos de uittreksels verkiest. Deze kruiden, op het zacht vuer bereid, bezitten allen eene ontbindende en pis afdryvende kracht, doch in eene onmatige hoeveelheid gebruikt, bederven zy onze vochten (Zie Boerhaave, Ap. 76).

DAUWDISTEL, Melkdistel, Hazenkruid, Konynenkruid, in 't fransch Prénanthe, in 't latyn Prenanthes, door Tournefort Chondrilla lactuca genoemd, en onder zyne 13° klasse, 1° sectie gesteld, der tong- of lintbloemen, samengesteld uit een groot getal kleine, éénbladige, onregelmatige bloemkransjes, wier bloembladen vlak naer de eene zyde uitsteken; door Jussieu onder de familie van de Cichoreiplanten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmigen, die met meeldraedjes bloeijen wier helmknopjes zyn samengegroeid, 1° order, gelyke veelwyvery of gelyke samenhelmigen. Alle bloempjes zyn tweeslachtig, en by gevolg allen gelykelyk vruchtbaer; zy brengen zaedjes met vederbosjes bekroond voort. De Muer-Dauwdistel (Prenanthes muralis van Linnaeus, of Chondrilla ruderalis) is eene tweejarige kruidplant van Europa, zy groeit in Henegouwen, Vlaenderen en elders in België, aen de muren, velden, bosschen, enz., met diep uitgesnedene bladen, en stengels die omtrent 35 centimeters hoog wassen, bloeit meest in july, met halve, vyfvoudige bloempjes, en kelkjes met eenery vederbosjes bekroond. De purpere Dauwdistel (Prenanthes purpurea van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die in België in de hooge en drooge bosschen en velden groeit, met lamsvormige, getande bladen, en bloeit met vyfvoudige bloempjes. De Dauwdistel met smalle bladen (Prenanthes tenuifolia) is eene kruidplant van de Alpische gebergten, die in België in de provincie Namen, de Ardennen en elders groeit, met lynvormige bladen.

De Dauwdistel die aen de Chondrilla gelykt (Prenanthes chondrilloides), groeit veel in Frankryk en elders, met lansvormige bladen, en gelykt van gedaente wel aen de Chondrilla of het Crepidekruid.

Al deze planten bezitten eene zeepachtige, verkoelende kracht, waerdoor zy afgang verwekken en de vochten ontbinden; zy hebben doorgaens een bitter, melkachtig sap, en zyn zeer dienstig in heete ziekten en verstopping der ingewanden, zoo als de Crepis en de Pisbloemen. Door Boerhaave werden zy onder de halfbloemige (Semiflosculosae) gesteld, en platbloembladige (Planipetalae) genoemd, omdat al de bloempjes in eenen gemeenen kelk bevat zyn.

DECUMARIA, in 't fransch Décumaire, in 't latyn Decumaria, is door Jussieu onder de familie van de Myrtusboomen gesteld, en onder de 11e klasse van Linnaeus, Dodecandria monogynia, twaelfhelmigen, meeldraedjes welke niet van een streng bepaeld getal zyn; bloemen welke van twaelf tot twintig meeldraedjes en maer een stampertje hebben. De rankachtige Decumaria (Decumaria barbara van Linnaeus) is een langlevend rankgewas van de Carolinen, het groeit zeer gelakkeld, lang uitgestrekt, met dikke, blinkende bladen, die een schoon groen kleur hebben, en bloeit van oogst tot in september, met vereenigde bloemtrosjes, die een zeer lieflyk maegdenwit kleur hebben en eenen zeer aengenamen zoeten geur verspreiden. Als men deze gewassen in de lusthoven by andere planten zet, nypen zy zoodanig met hunne gewrichte wortelscheuten die planten toe, dat zy daerdoor versmachten. De gerankte Decumaria (Decumaria sarmentosa) van de Carolinen, verschilt zeer weinig met de voormelde. Deze planten, die aen onze koude winters zeer wel kunnen wederstaen, worden om hare lommerryke bladen en lieflyke, welriekende bloemen, in de lusthoven geplant, en schikken zich

« VorigeDoorgaan »