Pagina-afbeeldingen
PDF

De Citroenappelen zyn om hunne heilzame deugden van over zeer oude tyden bekend; het zurig sap van deze vruchten heeft eene verkoelende kracht, en wordt derhalve als verkoeldrank in verscheidene ziekten gebruikt, by de apothekers met de medecynen vermengd en om de ontsteking der ingewanden en galblaes te zuiveren, bereid. Het zuer citroensap wordt ook veel als bytend scherp geel in de verwen gebruikt, en met velerlei spyzen bereid. De schillen van de Citroenen wederstaen aen alle venyn; geknauwd of in den mond gehouden, maken zy eenen zoetriekenden adem; in het suiker geconfyt en matig geëten, verwarmen en versterken zy de maeg en doen de spyzen verteren. Eindelyk, het citroensap gebruikt, is goed tegen de heete brandende koortsen en besmettende pestilente ziekten, en maekt alle slymerigheden en taeije, lymachtige vochten los. De Citroenboomen worden alhier door de kerntjes uit die appels in de lente geplant, zy groeijen langzaem, kunnen onze koude winters niet wederstaen en brengen weinig vruchten voort; zy worden meest gebruikt om Oranjeboomen op te enten en voort 's winters in de oranjehuizen te bevryden (Zie Oranjeboom). }

CLERODENDRUM, in 't fransch Clerodendron, in 't latyn Clerodendrum, is door Jussieu onder de familie van den Kuischboom gesteld, en onder de 14° klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, die vier meeldraden hebben, waervan twee langer zyn dan de anderen, welke allen op eenen onregelmatigen bloemkrans zyn ingehecht, en die bedekt zaed dragen of eene doosvrucht hebben.

De slymachtige Clerodendrum (C. viscosum), die van sommigen Clerodendrum met hartvormige bladen (C. cordifolia) wordt genoemd, is een langlevend heester-houtgewas van de Oost-Indiën; het groeit alhier in de matige serren, met groote hartvormige bladen, die zacht zyn en overeen staen, en bloeit meest van september tot in november, met bloemtrosjes op de toppen en witte bloemen, die in het onderste gedeelte der bloemkelken roodblozende bloembladen hebben, eenen zeer aengenamen zoeten geur inhouden en beziën met steenachtige kerntjes voortbrengen. De ongelukkige Clerodendrum (C. infortunatum) is ook een klein boomgewas van de Indiën, dat in bladen en bloemen zeer weinig van den eerstgemelden verschilt.

De riekende Clerodendrum (C. fragrans van Wentenat) is een heester-boomgewas van Japan, de donzige Clerodendrum (C. tomentosum) is alhier van Nieuw-Holland overgevoerd.

Onze behendige bloemisten hebben van de Indiën de volgende soorten van die schoone gewassen verkregen : den Clerodendrum splendens, in 't jaer 1843 overgevoerd; den Clerodendrum japonicum, met purperachtige, dubbele bloemen, ook in 't jaer 1843 overgebragt; den Clerodendrum speciosissimum, die allerschoonste bloemen draegt. M. Von Siebold, Kruidkundige te Leiden, heeft van Japan den Clerodendrum trichotomum, van Thunberg, medegebragt, en in 't jaer 1844 in den Casino te Gent ten toon gesteld. De Clerodendrum flora rubra, met roode bloemen; de C. hastatum, C. paniculatum en de C. laevigatum worden hier allen om hunne schoone bloemen in de matige serren gekweekt, en kunnen door het ryp zaed in den heigrond, op teilen, in de oranjehuizen gezaeid en door uitloopers, inleggers en afzetsels op lauwe broeibakken, onder het glas, vermenigvuldigd worden.

CLETHRA, in 't fransch Clethra, in 't latyn Clethra, is door Jussieu onder de familie van de heiplanten gesteld, en onder de 10° klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, tienhelmigen, planten die met tien meeldraden bloemen en maer een stampertje hebben.

De Clethra met elzenboom-bladen (C. alnifolia van Linnaeus), is een langlevend heester-houtgewas van Noord-Amerika, dat eerst in België door den baron de Poederlé, uit Engeland is overgebragt en als versiering in de lusthoven wordt geplant, het groeit met zeer gelakkelde stengels en getande bladen, die aen die van den Elzenboom eenigzins gelyken, en bloeit meest in augusty, met lange aren op de toppen der takjes en veel witte bloempjes, die eenen zeer aengenamen reuk inhouden.

De Clethra met elspuntige bladen (C. acuminata) is een langlevend boomgewas van Noord-Amerika, dat in de Carolina wel

9 of 10 meters hoog wast, en alhier in sommige lusthoven is geplant, het groeit getakkeld, met groote, elsvormige, puntige, toegespitste bladen, en bloeit met aren en groote bloembladen, die somtyds eenzaem zyn. De Clethra met donzige behaerde bladen (C. pubescens), verschilt zeer weinig van den eerstgemelden, dan door de bladen, die van onder witachtig donzig zyn. w De trosvormige Clethra (C. paniculata van Willdenow) is een langlevend heester-houtgewas van Pensylvaniën, dat met lansvormige, blinkende bladen groeit, en trosvormig bloeit, met witte, welriekende bloempjes. De boomstaltige Clethra (C. arborea van Willdenow) is een langlevend boomgewas van het eiland Madera, dat alhier aen onze koude winters niet kan wederstaen en in de oranjehuizen moet bevryd zyn; alsook de roestkleurige Clethra (C. ferruginea), van Mexiko, onlangs in België gezonden, maer al de anderen worden in de lusthoven in den vermengden heigrond geplant, en door uitloopers, die zy genoeg geven, en ook door inleggers vermenigvuldigd. Geene dezer gewassen zyn hinderlyk noch schadelyk;zy hebben allen eene samentrekkende kracht, en schikken zich zeer wel om in de lusthoven tusschen andere groene gewassen te planten, daer zy door hunne welriekende bloemen die hoven zeer aengenaem versieren.

CLIFFORTIA, in 't fransch Cliffortia, in 't latyn Cliffortia, is door Jussieu onder de familie der roosvormige bloemplanten gesteld, en onder de 22° klasse van Linnaeus, Dioecia polyandria, tweehuizigen, veelmannigen. De mannelyke en vrouwelyke bloemen zyn afzonderlyk op twee stengen aenwezig, het is te zeggen, dat de eene boom al mannekens-bloemen en de andere al wyfkens-bloemen draegt. De mannekens bloeijen met meer dan dertig meeldraedjes en drie bloembladen; de wyfkens bloeijen met drie bloembladen in de kelken zonder kransjes, met twee stylen, die zaedhuisjes in twee hutjes verdeeld, en een zaedkerntje voortbrengen.

De Cliffortia met hulstbladen (C. ilicifolia) is een langlevend klein boomgewas van de Kaep, dat met altoos groenblyvende bladen groeit, en alhier binnen den zomer bloeit, met witachtige gele bloemen, die weinig glans hebben.

De welriekende Cliffortia (C. odorata) is een langlevend boomgewas van Algiers, dat met eironde, getande bladen groeit, die aen de kanten van onder wit donzig zyn en met geelachtige bloemen bloeit.

De Cliffortia ruscifolia, met geheele, lansvormige bladen; de Cliffortia filifolia, met driehoekige, gladde, draedvormige bladen, die geheel schoon groen zyn; de Cliffortia pulchella, met twee geheele, cirkelronde bladen; de Cliffortia trifoliata, met donker groene bladen, in drie getand, en de Cliffortia strobilifera, met scherpe, lynvormige, donkere, groenblinkende bladen, en witte bloempjes, die kegeltjes en stede van zaedhuisjes voortbrengen,

zyn allen houtgewassen van Afrika, en kunnen door inleggers en

afzetsels in den heigrond vermenigvuldigd worden. Zy worden zeer veel in het Zuiden van Frankryk, Italiën en elders, in de lusthoven geplant, die zy door hunne groene bladen, 's zomers en 's winters schoon versieren, maer in België moeten zy 's winters in de oranjehuizen worden bevryd.

Deze gewassen bezitten een scherp sap, en mogen derhalve niet ligtelyk inwendig gebruikt worden, zoo als Boerhaave en Ray geleerd hebben.

CLITORIA, in 't fransch Clitorie, in 't latyn Clitoria, is door Jussieu onder de familie van de de peulvruchtdragende bloemplanten gesteld, en onder de 17° klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, die met meeldraedjes en tien helmdraden bloemen, hier zyn de meeldraden ook verandelyk in getal, en met hunne helmdraden tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid, of met hunne meeldraden en stampers in twee groepen verdeeld. w

De Clitoria met verschillige bladen (C. heterophylla) is een langlevend, schoon, houtachtig kruidgewas van de Indiën, welk met dunne, getakkelde stengels groeit, en bladstelen met ieder 8 of 9 bladen versierd, bloeit alhier van augusty tot in september, met zeer schoone hemelsblauwe bloemen, die in het midden een geel kleur hebben, en op standaerds bloeijen. De Clitoria van Ternate (C. ternatea van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van de Oost-Indiën; zy groeit met lange, dunne, windende stengels, en bladstelen met 5 of 7 bladen versierd, bloeit alhier meest van juny tot in september, met groote, okselvormige, blauwe bloemen, die in 't midden wit gevlekt zyn en eene lieflyke versiering maken. De Clitoria ternatea major is een langlevend houtachtig kruid van de Indiën, het groeit met opklimmende, getakkelde stengels, met donzige haertjes bedekt, met oksel-bladstelen en 7 of 9 bladen die altoos groen blyven, en bloeit met groote standaerds en schoone blauwe bloemen, die in 't midden wit zyn, en somtyds een geel kleur verkrygen. Deze plant is in 1846 van Engeland alhier by onze bloemkweekers overgebragt. De Clitoria van Virginië (C. virginiana) groeit met donkere bladen, en bloeit met dubbele bloemkelken langs binnen met twee lipjes gepypt. . Deze planten worden om hare schoone bloemen alhier in de matige serren gekweekt, en kunnen door het zaed in den vermengden heigrond, en door inliggers en afzetsels vermenigvuldigd worden. De zaden dezer planten zyn eetbaer voor menschen en dieren, voornamelyk als zy gekookt zyn; doch van aerd meelachtig en winden verwekkend, waerdoor dezelve voor zwakke magen ondienstig zyn.

CLUSIA, in 't fransch Clusier, in 't latyn Clusia, is door Jussieu onder de familie der Guttiers gesteld, en onder de 23e klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtigen-eenhuizigen, met tweeslachtige bloemen, nu eens beiden op eene steng, dan afzonderlyk op twee stengen aenwezig. De mannekens-bloemen hebben dikwils zes bloembladen in de kelken, en van vier tot zes bloembladen in de kransjes, met zeer veel meeldraedjes, de wyfkensbloemkelken en kransen zyn als die van het manneken, maer in hunne bekervormige kransen met de helmknopjes vereenigd,

« VorigeDoorgaan »